Het Hazegras te Knokke

Maurits Coornaert

1. De naam Hazegras (1)

Na de Duinkerke-II overstromingsperiode vormde de Vlaamse kuststreek ten noorden van Brugge een uitgestrekte vlakte, waar de begroeiing met zoute flora van het zuiden uit vorderde. Ontelbare grotere en kleinere geulen dooraderden dit schorreveld. De belangrijkste waterloop was de Scheure of Zwin, waarlangs het water van het stroomgebied van de Reie afvloeide. De Scheure mond de ten noorden van Brugge in de Zinkval uit. Deze zeearm was toen de voornaamste monding van de Westerschelde.

We weten niet welke naam de Frankische bewoners van de Zandstreek in de 9e en 10e eeuw aan de kustvlakte gaven. Waarschijnlijk noemden ze die gewoonweg “scor” of “anwerp”. Misschien hadden ze reeds eigennamen voor onderdelen van de schorren. Op het einde van de 10e eeuw won de dijklijn Gentele-Evendijk A-Zidelinge (t.t.z. Brugge-Uitkerke-Bredene-Oudenburg) een eerste stuk uit de schorrevlakte ten noorden van Brugge. In de eerste helft van de 11e eeuw werd de streek tussen de Gentele en de Zinkval gedurende enkele jaren door de Duinkerke III A overspoeld.

Na afloop van de genoemde transgressie ontwikkelde zich weer de vegetatie op de aangeworpene gronden. Van de Gentele en van het Brugse uit, namen schapeboeren de nieuwe schorren in gebruik. Hadden zij een bijzondere naam voor het gehele gewest tussen de Gentele en de Zinkval? We kennen geen geschreven bronnen, die bewijzen dat de schapeboeren eigennamen toekenden aan sommige delen van de schorrevlakte. Toch zullen er na de indijking een paar plaatsnamen uit de schorretijd overblijven: de “hernesse” te Oostkerke en te Dudzele (2), Scharpenesse te Ramskapelle, Zandschere te Lissewege (3).

De Evendijk B won ca. 1060 een groot stuk uit de streek tussen de Gentele en de Zinkval. Deze Evendijk heeft zijn naam bewaard tussen Uitkerke en Heist. Ten oosten van Heist heet hij Zomerdijk, te Westkapelle Kalveketedijk, te Hoeke Bloelozedijk, te Oostkerke Krinkeldijk. Buiten de bedoelde dijklijn bleef er langs de noord- en de oostzijde een voorland met een breedte van 1/2 tot 1 km liggen. Deze strook werd in het midden van de 12e eeuw door de Duinkerke III B overstroomd. Uit die periode dateren allerlei kreken, o.a. de Reigaarsvliet, een linkerbijrivier van de Zinkval. Het deel van de Scheure, dat buiten de Krinkeldijk gebleven was, heette voortaan het Zwin.

Op het einde van de 12e eeuw lagen weer rijpe schorren op indijking te wachten. Latere topografische dokumenten hebben enkele namen voor onderdelen van het schorreveld bewaard. De streek tussen de Reigaarsvliet en de Zinkval heette Greveninge. Het voorland van de Zomerdijk werd Logenhoek (4) genoemd. Deze naam beduidde voor 1200 de zuidwesthoek van de monding van de Zinkval.

Het bedoelde stuk schorre wies in oostelijke richting aan. Deze vooruitspringende aanwas heette Knok, Tegelijk groeide een landtong in noordoostelijke richting aan, nl. Scharpoord (5). Scharpoord lag ten noord-westen van de kerk van Knokke.

Ca. 1200 werd de Logenhoek met een deel van Knok en Scharpoord ingepolderd door middel van de Groene Dijk -Kragendijk (een deel van deze dijk is nu de Smedenstraat te Knokke). De grondaanwinst heette Vardenaarspolder. Omstreeks dezelfde tijd won de Greveningedijk een groot deel van de  Greveningeschorren. In de loop van de 13e eeuw begon men het grondgebied op de linker- en de rechteroever van de Reigersvliet met de term “te Reyghersvliete” aan te duiden. Maar we weten niet welke naam men toen gaf aan de schorren even ten oosten van de Kragendijk. Tegen het einde van
de 13e eeuw ging de naam Zwin definitief op de Zinkval over.

Tussen 1200 en 1255 werden uit het voorland buiten de Kragendijk en de Kalveketedijk, achtereenvolgens de Keuvelpolder, de Monikenpolder, de Hoge Polder en de Butspolder geworden. Werpland behoorde aan de Graaf van Vlaanderen. In 1282 schonk Gwijde van Dampierre aan zijn zoon Jan van Namen een stuk schorre op de westoever van de Reigaarsvliet. De laatstgenoemde heeft die grond algauw ingedijkt. Dit poldertje moet het voorland van de Butspolder geweest zijn. Immers in 1294 moest Jan van Namen het eigendomsrecht van “Un polre k’on apiele Haseghers” verdedigen tegen Jan van Gistel. Dank zij deze betwisting komen we te weten dat het schorreveld buiten de Butspolder reeds vóór 1300 Hazegras heette.

Een paar jaar later verkocht Jan van Namen de Hazegraspolder aan Pieter van de Speie. Brugge nam in 1302 dit poldertje in beslag omdat de eigenaar de zaak van de Franse Koning steunde. De Brugse stadsrekeningen noemen het bezit van Pieter van de Speie “den polre ten Asegerse ”ofwel “den polre te Reighersvliete”. De Hazegraspolder kwam in de loop van de 14e eeuw in de handen van de familie “van den Vagheviere”. Vandaar de definitieve naam Vagevierspolder. In de noordoosthoek van deze polder ontstond het dorpje “ten Vyfhusen”, waar de vissers van Reigaarsvliet woonden. Ondertussen verwierf de Hoge Polder, om reden van zijn uitwateringspunt, de naam Watering van Volkaartsgote.

Het schorreland langs de noordzijde van de Hoge Polder, van de Butspolder en van de Vagevierspolder droeg verder de naam Hazegras. Dit is dus de uitgestrekte schorre ten noorden van wat wij nu te Knokke de Graaf Jansdijk noemen. Het is niet zeker dat het eerste lid van het bewuste toponiem het bekende knaagdier bedoelt, aangezien uit de teksten van ca. 1400 blijkt dat de fauna van deze schorren voornamelijk uit konijnen bestond. We weten immers dat, op het einde van de 14e eeuw, van het noordwesten uit, de duinen begonnen het Hazegras binnen te dringen. Met het duinenzand verschenen ook de konijnen, die de zeewering tussen het dorp Knokke en Vijfhuizen ondermijnden. De bedoelde weerdijk werd grotendeels vernield door de  Elizabetvloed van 1404. Hij werd in 1405, onder het bewind van Jan Zonder Vrees, helemaal herbouwd, en verkreeg daarna de naam Graafjansdijk.

2. De eerste Betwistingen om het Hazegras

Filips de Stoute verplichtte de Hazegrasschorren aan Thomas van Schoneveld.

We veronderstellen dat die pacht, tussen 1399 en 1404 toegestaan werd, omdat de genoemde persoon in die periode baljuw van het Brugse Vrije was, en als dusdanig ook toezicht op de zeeoever uitoefende. Schoneveld betaalde 12 pd.par. per jaar.

Hij kon het Hazegras zelf uitbaten of het verhuren aan schapeboeren die achter de Graaf Jansdijk woonden. Daar stonden tenminste reeds drie hoeven: de Vaucelleshofstede (Loeys), de later zogenaamde Verbrande Hofstede  (Dhondt), en het Wit Huis bij Vijfhuizen (Stroo).

Omstreeks 1420 kreeg Pieter Enin het Hazegras in pacht. De pachtprijs werd op 24 pd. par. gebracht. In die tijd was Jan de Baenst baljuw van Sluis. Hij kreeg het gedaan dat Florent Descamps, ontvanger van de Graaf te Sluis, hem in 1426 het Hazegras in pacht gaf. In 1428 bekrachtigde Filips de Goede de pachtakte van 1426.

Jan de Baenst moest wel wachten totdat de termijn van P. Enin in 1429 ten einde liep, maar de oorkonde van 1426 gaf hem het Hazegras in eeuwige, erfelijke cijns, op voorwaarde dat hij de jaarlijkse erkenning van 24 pd.par. aan de Graaf voldeed.

De akte van 1426 omschrijft het Hazegras als volgt: oost, de Reigaarsvliet; zuid, de Graaf Jansdijk; west, het kerkhof van Knokke; noord, de zee d.i. de westoever van de Zwinmonding. In die periode lag op de overzijde van deze monding het afgespoelde westeinde van het eiland Wulpen. In de vaargeul tussen het Hazegras en West-Wulpen doken reeds zandplaten op, maar de afstand tussen de twee oevers van de Zwinmonding bedroeg, ter hoogte van Knokke, toch ongeveer een kilometer. Dit betekent dat het voorland van de Graaf Jansdijk toen nog niet bijzonder breed was.

De aanslibbing van de westelijke Zwinoever vorderde van het westen uit. Scharpoord wies in noordelijke en oostelijke richting aan. De zee zette meer en meer zand af op het strand. Omstreeks 1400 overdekten de duinen helemaal Scharpoord. Ook ten noorden van Knokke wies de strandvlakte aan. Deze nieuwe aanwerp heette Oord van Knokke. In de eerste helft van de 15e eeuw was het Hazegras op het westeinde ongeveer 500 m breed, maar daar begonnen de zandheuvels zich uit te breiden. Op het oosteinde, d.i. tegenaan Reigaarsvliet, had het Hazegras heel weinig breedte.

Het Hazegras ging van Jan de Baenst naar zijn zoon Pauwels over. Deze bezat o.a. ook de Verbrande Hofstede. Ongetwijfeld graasde het vee van de genoemde hoeve op de voorliggende schorren.
Daar stonden waarschijnlijk nog geen vluchtheuvels. De dieren konden op de nabije zeedijk toevlucht zoeken. In de bedoelde periode was Jacob van Gistel, Heer van Dudzele, eigenaar van het Rood Kalf, een hoeveke dat 800 m ten westen van de Verbrande Hofstede achter de Graaf Jansdijk staat en waar Cyriel Vermeire tot voor kort uitbater was van de gekende herberg “Het Kalf”.

Jacob van Gistel begon de schorren voor zijn hoeve als zijn graasweide te beschouwen. Hij trachtte zelfs het gehele Hazegras te bemachtigen. Hij deed het vee van Pauwels de Baenst verdrijven.

Daarna verpachtte hij het Hazegras aan Klaas Blomme, waarschijnlijk de pachter van het Rood Kalf. P. de Baenst protesteerde in 1479 bij Maximiliaan van Oostenrijk. Hij wees erop dat hij alleen het recht had om het Hazegras te gebruiken of te verpachten. Op grond van de oorkonde van 1426 moest  Maximiliaan ingrijpen. J. van Gistel was verplicht zijn aanspraken op te geven.

3. De Oude Hazegraspolder

Het grootste deel van het bezit van de familie de Baenst, o.a. het Hazegras, ging over naar Willem Claerhout. Zijn weduwe, Johanna van Halewijn, vatte in 1545 het plan op om een deel van het Hazegras in te dijken. Ze vond medewerking bij de weduwe van Joris Teerlinck, die de schorren op de rechteroever van de Reigaarsvliet bezat. In 1547 gaf Keizer Karel aan de genoemde twee eigenaressen de toelating om in te polderen. Uit de oorkonde blijkt dat het eigenlijke Hazegras toen 839 1/2 gemete groot was (360 ha).

Bijna de helft van de genoemde oppervlakte bestond uit kreken, slikken en lage duintjes. Deze zandheuvels bedekten het westelijk deel van het Hazegras. De noordelijkste rij duinen werd later de Blinkaart geheten. Het dijkplan van 1545 is om onbekende redenen niet uitgevoerd. Daarna groeide de zeeoever van het Hazegras verder aan. Over die breder wordende schorren schoof het duinenzand oostwaarts vooruit. De nieuwe lage duinen ten noorden van het Kalf, die later de Kalfduinen genoemd werden, bereikten omstreeks 1600 een punt ten noorden van de Butspolder.

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd o.a. in de Zwindelte uitgevochten. In 1604 kon Maurits van Nassau de vesting Sluis innemen. De militaire toestand verdreef alle indijkingsplannen.

Ondertussen won de aanslibbing gestadig veld op de westelijke Zwinoever. Langs het strand van Knokke bezonk een smalle plaat waar het opstuivende zand tot jonge duinen opgehoopt werd. Deze nieuwe duinenrij vorderde oostwaarts. Tussen de oude en de nieuwe duinen bleef de Zoute Kreek liggen. De strook schorre op beide oevers van die strandgeul heette de Zoute schorre.

Gedurende het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werd op de rechteroever van de Reigaarsvliet de Godefrootspolder gewonnen.

Bij het hernemen van de vijandelijkheden verschansten de Spanjaarden de westoever van het Zwin. Graaf Fontaine legde een linie aan die liep van Lapscheure naar de zee. Te Knokke bouwde hij in 1622, bij de monding van de Reigaarsvliet, een grote vesting, het St.-Izabellafort, en een kleinere verschansing, het St.-Teresiafort. Beide vestingen waren door middel van de Legervaart, van Schapenbrugge naar de Vrede, met Brugge verbonden.

In 1627 breidde Fontaine zijn linie verder uit. Hij bouwde het St.-Paulusfort op de noordoostpunt van de Blinkaartduinen. Hij trok de Legervaart, vanaf het St.-Izabellafort, door in westelijke richting tot aan het nieuwe St.-Paulusfort. Met de uitgedolvene grond werd de Paulusdijk (nu Hazegrasstraat) opgeworpen. Het nieuwe kanaaltje heette Paulusvaart. Ook de opening tussen het Paulusfort en de Blinkaartduinen werd afgedamd. Op die manier was een groot stuk van de Hazegrasschorren en -duinen ingedijkt.

In feite is de eerste Hazegraspolder buiten de Graaf Jansdijk zonder de tussenkomst van de eigenaars van het Hazegras ontstaan.

Deze polder zal de naam Oude Hazegraspolder krijgen, zodra, in 1784 de Nieuwe Hazegraspolder gewonnen was. We zullen de verdere inpoldering van de Zwinmonding hier voorlopig laten rusten.

Nota’s

  1. Dit artikel is een korte samenvatting van de gegevens aangaande het Hazegras, die we uitgewerkt hebben in onze studie “Knokke en het Zwin”. Dit werk is zopas verschenen (zie St.-Gutago Tijdingen , december 1974). We verwijzen hier niet naar de bronnen, omdat ze in het volledige werk te vinden, zijn.
  2. Herd(er)+nesse: Zie René De Keyser, Rond de Poldertorens Ie jaar, 1959 nr 4, p. 1 - 7.
  3. M. Coornaert, Het Land achter de Evendijk, Rond de Poldertorens Ve jaar nr 4. p 130: Scherp+nesse vooruitstekende aanwas; Zand+schere, schore = zandige schorre
  4. M. Coornaert, Koudekerke - Heist, p 91, Loge: moerassige weide.
  5. Scherp+oord: d.i. aanwerp.

Het Hazegras te Knokke

Maurits Coornaert

Rond de poldertorens
1974
04
189-196
Filip Demunster
2023-06-19 14:41:38