Matthys  Barton,  peerdesmidt  te  Oostkerke

Firmin Roose

Bij genealogische opzoekingen, wellicht meer nog dan bij andere, dient met de faktor “toeval” of  “kans” rekening gehouden te worden. Men kan soms maandenlang naar een speld in een hooiberg zoeken en die dan plots op een schaaltje gepresenteerd krijgen, “als men dit het minste vreest ".

Zo zat ik al een paar jaar te Vlissegem vast, bij Jacob Benoodt, een welgestelde boer, die op 14 januari 1742 overleed (1). Hij was gehuwd met Theresia Vanderbeke, dochter van Lenaert en van Joanna Wielmaecker. Verdere gegevens ontbraken, behalve dit: in het huwelijkskontrakt van Jacob (2) stond er dat hij weduwnaar was van Joanna Barton “saeligher memorie”. Alle registers van Vlissegem en van de omliggende gemeenten heb ik uitgekamd, maar nergens vond ik ook maar het minste spoor, dat mij naar voorgeslacht van Wielmaeckers of Benoodts kon brengen.

Tot ik op zekere dag - bij het speuren naar andere familieleden -Wielmaeckers vond te Ramskapelle en te Heist. Jammer genoeg bestaan voor Ramskapelle géén en voor Heist slechts gedeeltelijke alfabetische tafels. Dan maar akte voor akte nagelezen! En met succes: te Heist vond ik de geboorte van Joanna Wielmaecker op 5 januari 1673 (3). Vol hoop snuffelde ik verder, ook in de niet geklapperde registers in de pastorie te Oostkerke, wederom akte voor akte. En ja op 13 oktober 1725 huwde Jacob Benoodt te Oostkerke met Joanna Barton ! Zij was toen 19 jaar oud en “het eenigh naerghelaeten kyndt” van Matthys Barton en Anna Brabant.

En zo - heel toevallig - kwam ik terecht bij Matthys Barton, meester peerdesmidt, te Oostkerke overleden op 2 juni 1723. Hij was de zoon van Daniël Barton en Geerardine Vercoutere. Zijn vrouw, Anna filia [= dochter van] Joos Brabant, verslond de ene echtgenoot na de andere. Zij was weduwe van Jan Timmerman en daarna van Jan Wieme, toen zij met Matthys huwde; en wanneer de staat van goed van haar derde man opgemaakt werd, had zij reeds voor de vierde maal iemand - Lowijs Jansens - gelukkig gemaakt!

Juist die Anna interesseert ons nu, want in de beschrijving van de immeubele goederen lezen we dat er “een gherechte vierde part van een huijs” was, “met eene peerdesmisse, ghestaen ende gheleghen ter heerelyckhede van den Canonincxsche, met een boomgaerdeken daermede gaande, ter prochie van Oostkercke, op het ghehuchte ghenaemt Eyenbrouck",  en dit huis had Anne geerfd van haar vader Joos, die daar dus vroeger wellicht smid was geweest. Er was ook nog een stuk land en een huis op de heerlijkheid van Beveren, maar hier hebben wij tegenslag: na de tekst “den overleden toeghecommen” staat er een reeks puntjes, waarop men nagelaten heeft nadien nog iets in te vullen. Gelukkig krijgen wij iets verder te lezen dat Joanna nog een erfenis kreeg van haar grootvader Daniël, overleden binnen de prochie Roosebeke. Het voorgeslacht van Matthys zal dus in de streek van Roeselare dienen gezocht te worden.

De Staat van Goed (4) leert ons verder dat Denijs Barton voogd paterneel en Fransois Verhiest voogd materneel was. Wat ons echter het meest belang inboezemt, is het feit dat diezelfde Staat een boedelbeschrijving geeft van wat er in die “peerdesmisse” allemaal te zien en te kopen was. En die vonden wij belangrijk benoeg om even uit de doeken te doen. De meeste voorwerpen, die er te koop geboden werden in de “wijnckel”,  komen molenaars en landbouwers toe; daarenboven vinden we er de werktuigen en het alaam van de smid zelf. De “Prijsie” werd opgemaakt door de “gheswooren prysers” : Pieter van Huillendonck en Fransois Verbeke op 8 juli 1723.

Wij noteerden hieronder de inhoud van de smidse “van woorde tot woorde” - zelfs de verschillende schrijfwijzen van éénzelfde woord - en we voegden er  de uitleg bij, die wij konden vinden (5). Wij danken hierbij van harte de heer Josef Van Nieuwenhuysse, de huidige hoefsmid van Oostkerke, die ons zeer bereidwillig uitleg verschafte over een aantal voorwerpen.  Aanvullingen en verbeteringen, ons door een vakman ter kennis gebracht, willen wij gaarne in een volgend nummer vermelden.

Nota’s

  1. - Vlissegem, parochieregister nr. 2, pag. 352: “14 janrij 1742 obijt et 17a summo officio sepultus est in ecclesia Jacobus Benoodt, maritus Theresia Vanderbeke, aetatis 42”.
  2. - Staat van Goed Jacob Benoodt, R.A.Brugge, Brugse Vrije, 2e. reeks, nr. 6586.
  3. - Oostkerke, parochieregisters in de pastorie.
  4. - Staat van Goed Matthys Barton, R.A.Brugge, Brugse Vrije, 2e reeks, nr. 7344
  5. - o.m. De Bo, Westvlaamsch Idioticon - Verwijs en Verdam, Middelnederlandsch woordenboek  -  P.Lindemans, Geschiedenis van de landbouw in België -  Woordenboeken van Dale en Verschueren.

------------00000     00000     00000-----------

Op den Smisse Solder

Voorts aldaer bevonden sessendertigh stickx barreel ijser (1) onder groot ende cleen, elf nieuwe riester plaeten (2), thien spae boomen (3), vijf bacxkens met nagels onder nieuwe ende oude, te weten drye met steck nagels (4) ende twee met houvenagels (5), een partye oudt ijser, dryentwintigh oude yser eeghde tanden (6), een partye nieuwe houfijsers, een iser coffoir (7), een bedde met syn toebehoorten, ende alsoo tsamen weerdigh bevonden de somme van vierentwintigh ponden, seven schellingen, acht grooten.

Nota’s

  1. - IJzeren staven, baren.
  2. - Omgebogen ijzeren blad dat, bezijden de ploeg, dient om een aardschol om te keren.
  3. - Spadesteel.
  4. - Gewone spijker.
  5. - Spijker aan een hoefijzer.
  6. - Tanden van een eg(ge).
  7. - Kaffoor, komfoor: toestel, met gloeiende houtskool gestookt, om iets warm te maken of te houden.

In de Smisse Wijnckel

Voorts aldaer bevonden een party oudt ijser, seven sticken om ijser oupels, acht halve stucken barreel yser, twee hondert en vyftigh houfijsers, elf paer nieuwe waghe schenen (1), veerthien nieuwe seul hooft platen (2), twee houtters (3), met nogh wat onghevrocht ijser (4), thien nieuwe scharre sween (5), met drye bedden, ende alsoo tsamen weerdigh bevonden ter somme van twintigh ponden, vier schellinghen, thien grooten.

Nota’s

  1. - Platte ijzeren bogen, bijv. rond een wagenwiel; voor middelronde, aan voortrein en langwagen.
  2. - IJzeren blad dat de zijkant bekleedt van het zeulhoofd van een ploeg.
  3. - IJzeren blad boven op de ploegbalk,
  4. - Onbewerkt.
  5. – Zwei of zwee, winkelhaak aan de ploegschaar.

-------------------------------------

Voorts nogh aldaer bevonden eene nieuwe scharre sille (1), ende nogh wat ander onghevrocht ijser, twee nieuwe middelronden (2), vier nieuwe spaen (3), drye nieuwe onghevrochte schyven (4), vier oude yser ouppels, een blokxken met slecken (5) ende crammen, een bart (6) met marteelen (7), drye hauwmessen (8) een ander boutten (9), sessenvyftigh nieuwe vynderlinghen (10), een tanghe, een mes haeck (11), een bart met twee nieuwe kruijnen (12) ende andere boutten en grendels, twee pyck hauweelen (13), ende andere oudt minuteijten (14), ende alsoo tsaemen weerdigh bevonden ter somme van vyf ponden, twaelf schellinghen, acht grooten.

Nota’s

  1. 1.- Vroeger waarschijnlijk de hielplaat van een ploegschaar.
  2. - Kloeke ijzeren spil, waarmede men de langwagen aan de voortrein verbindt
  3. 3  - Spaden.
  4. 4  - Was vràeger voren aan de ploeg, in de plaats van de kouter.
  5. - Dun en smal stuk ijzer
  6. - Plank
  7. - Ijzeren hamer, ook "dijselhamer" geheten.
  8. - Snoeimes, hakmes.
  9. - Spil, die b.v. de noten van een scharnier aan elkander verbindt.
  10. - Platte ring, “une rondelle” (Frans).
  11. - Werktuig om de mest van de wagen te trekken. Men kende een mestvork en een mesthaak.
  12. - Een bootschaar/bootschar(re): klein ijzeren aambeeldje, dat maaiers en pikkers gebruikten om hun zeis of pik op te boten [= scherp kloppen met de boothamer ].
  13. - Pikhouweel, met een pik en een gebogen beitel.
  14. - Een kleinigheid

------------------------------------------------------------

Voorts nogh aldaer bevonden een deel cleene ketenkens, twintigh sprancken (1), vier glaese routtjes (2), drye distel spaekens (3), drye plough schaeckels (4), vier roe breydels ghebyten (5), een bart met oude yserprondelinghe (6), een deel nieuwe ouppel crammen, twee oude keiren vranghen (7), een nieuwe scharre (8), ende nogh ander prondelinghe van oudt ghemaeckt werck, ende alsoo tsaemen weerdigh bevonden ter somme van drye ponden, een schellinck ende acht grooten.

Nota’s

  1. - Grote schakel tussen de haak en de slove van een zwendel.
  2. - Metalen staafjes als tussenregel voor een glasraam. Of worden hier glazen ruitjes bedoeld? Of glazen staafjes?
  3. - Kleine spade om de wortels van de distels uit te steken.
  4. - Langwerpige schakel aan de voorkant van de ploeg,
  5. - Mondstuk, gebit voor een roepaard - het handpaard liep links, het roepaard rechts van een tweespan een roepaard kreeg een speciaal gebit.
  6. - Bucht, oud ijzer, oude huisraad, rommel.
  7. - Elleboogvormig handvat, waarmede men de karnton beweegt.
  8. - De ploegschaar, plat pijlvormig en snijdend ijzer, dat de aardschol onderaan losmaakt.

------------------------------------------------------

Voorts aldaer nogh bevonden vier oude stroo deckers acken (1), drye essen (2), twee pimperneelen (3), ses waghe schaeckels (4), twee draeijlinghen (5), vier voetijsers van boeyen (6), ses leijsen (7), vijf treckbanden (8), vier plough stockers (9), ses hangeneelen (10), vijf garreel sloten (11), neghen corte keten aecken, drye sloven (12), acht testenier leysen (13) ende wat schof leysen (14), seven caeybecken (15), een deel rondeelkens (16), drie carten (17), acht leysen, twee pimperneelen, vijf sween, acht blockbanden (18) ende andere oude banderye (19); ende also tsaemen weerdigh bevonden drye ponden, drye schellinghen ende acht grooten.

Nota’s

  1. - Soort haak waarmele de strodekker zijn ijzerdraad doorheen het stro trekt.
  2. - Schakel in de vorm van een S.
  3. - IJzeren staaf, midden het harnas van een wagen vastgenageld. De twee zwenkels werden er aan vastgemaakt.
  4. - Schakel achteraan de langwagen met een ketting kon een andere wagen eraan vastgekoppeld worden.
  5. - Draainagel in de trompen van het gebit van een paard.
  6. - Kan een voetmes zijn, waarmee de smid, de paardehoef zuivert, alvorens het ijzer er op te leggen. Wellicht ook een ijzeren beugel (boeien?).
  7. - Riemen, “une laisse” (Fr). Volgens J.V.N. kunnen hier leinzen bedoeld zijn: ijzeren spilletjes, die in een gleufje aan de wagen gestoken werden om iets vast te zetten, gewoonlijk met een kettinkje er aan.
  8. - Smalle ijzeren band aan een wagen, om aan te spannen.
  9. - Stokers dienden om de ploeg te reinigen van slijk.
  10. - Molenterm: houten raam in U-vorm. Zie hierna: volgende nota nr. 7.
  11. - Gareel, halsjuk.
  12. - Metalen band die in een lus gesmeed werd
  13. - De testiere is de hoofdbedekking, het kopstuk van een paard.
  14. - De schof is het hoogste deel van een paarderug, tussen de schouders. Of zijn het leinzen aan het schof van een wagen?
  15. - Smidstang met omgeplooide bek.
  16. - IJzeren ring die men op een moerhout schuift om deze vaster aan te schroeven (vingerling).
  17. - Hoepel die rond de bus van een wiel gevestigd is, ten einde te voorkomen dat de bus openspringt als je spaken er in geslagen worden.
  18. - IJzeren band rond het blok van een wagen.
  19. - Allerlei banden.

-----------------------------------------------------------

Voorts nogh aldaer bevonden eenendertigh scheenbanden (1) onder nieuwe ende oude, thien vorcken, ses roskammen (2), ses waeghe carten, een greep (3), sesthien coutter banden (4), twaelf paer en half ganghen (5), vier verstick boutten (6), veerthien hangeneelen (7), drye draeij sprancken met drye draijlinghen, ses scheenbanden, drye slecken, ses klincken (8), neghen jock-aken(9), acht draelen om coppel stocken (10), seven cordeel aecken (11), drye dissel ooghen (12), vier dyssel klampen (13), drye paelinck schaeren (14), drye hoijvorcken, achentwintigh sprancken, dryentwintigh krammen, een deel cleene grendel krammen, acht boutten, acht schapelkens (15), ende nogh minuteijten, tsamen weerdigh vyf ponden, seven schellinghen ende vier grooten.

--------------------------------------------------------

Nota’s

  1. - Smalle metalen strook.
  2. - Wijdgetande ijzeren kam om een paard te reinigen.
  3. - Een mestvork.
  4. - Metalen banden boven op de ploegbalk.
  5. - Een scharnier.
  6. - Spil, die men kan versteken om de wagen te verlengen.
  7. - Bij vergissing werd deze nota weggelaten bij nota 10 in de vorige reeks.

Volgens J.V.N. misschien een “singel”: stuk lijnwaad met stokken verstevigd, dat, aan een katrol bevestigd, diende om koeien of paarden van de grond op te heffen nadat ze een kalf, resp. een veulen, gekregen hadden.  Men leerde hen zo opnieuw lopen.  Misschien is het ook een hangereel (een molenterm): houten raam in U vorm

  1. - Een deurklink, een vallend deurijzer.
  2. - Haken aan de boord van een juk.
  3. - Beugels. Dienden om paarden te koppelen in een tweespan.
  4. - Een kordeel is een leireep. De haak werd aan het harnas van de wagen vastgenageld.
  5. - Metalen lus vooraan een dissel.
  6. - Blokken bevestigd aan de lange dissel, om het voor- of achteruitschuiven te beletten.
  7. - Een aalsteker: drie- of viertandige vork, waarmee men paling steekt.
  8. - Een schapelken nergens gevonden. Wie weet het? [het Middelnederl. W.B. van J.Verdam vermeldt : “schapeel = krans” (A.Calus)] .

----------------------------------------------------------

Voorts nogh aldaer bevonden twee nieuwe langhe plough ketens, twee scharre plaeten, ongemaeckt weghende twee hondert pondt (1), twintigh  paer ganghen, een bier boom (2), twee vylstaeken (3), ende ander minuteijten van oude prondelinghe tsaemen weerdigh vyf ponden, elf schellinghen grooten.

Voorts nogh aldaer bevonden een deel stampers (4), negenthien smidts tanghen, een deel deurslaghen (5), twaalf hamers, een begorie (6), ses vijllen, twee treck tanghen, twee passers, twee sween, acht rijnghen, een haene bil (7), een blaese balcke, twee schappaetje met wat meesterije (8), twee slypsteenen ende ander minuteijten van oudt alam ende alsoo tsamen weerdigh bevonden tot de somme van dryentwintigh ponden, sesthien schellinghen grooten.

Voorts aldaer nogh bevonden de nombre van vyftigh hoet (9) smede coolen, ende die weerdigh bevonden  tot de somme van vythien ponden grooten.

---------------------------------------------------

Nota’s

  1. - Vroeger was de ploegschaar verbonden met het “scheebart”, een scheidingsplaat. Dit was een zeer zwaar stuk
  2. - Een soort juk, een kloeke ronde stok met twee schouderstukken, die door 2 mannen op de schouder gedragen werdt. In het midden van de boom zijn 2 sterke kettingen met elk een haak waarin de bierton gedragen werdt. (Van Dale kent nog het woord).
  3. - Toestel waartussen men de voorwerpen prangt, die men met de vijl wil bewerken.
  4. - Werktuigen om iets fijn te stampen. Een stampersmolen?
  5. - Werktuig waarmee men openingen in iets slaat.
  6. - Een licht en verplaatsbaar aambeeld met spitstoelopende armen. Dient bv. om ijzer te plooien.
  7. - Een aambeeld.
  8. - Geneesmiddelen vooral voor kwetsuren van paarden
  9. - Inhoudsmaat, te Brugge ongeveer 1,75 hl. Er gingen 4 maten in een hoed, en zeven in 3 hl.

-------------------0000     00000    0000--------------------

Volledigheidshalve geven wij ook de rest van de inboedel. Uit wat hieronder volgt (verkort!), blijkt voldoende dat die “peerde-smidt” van Eienbroeke een welgesteld man was.

In  den  Keucken

Twee roosters, twee branders, twee yser latten, drye yser schippen, een tanghe, een kuijssche (1), een hangel (2), dryentwintigh stickx gleyerswerck onder platteelen ende taillioren, ses stickx aercie werck, twee steene pullen, twee heemers (3) met yser banden, een draeykeiren met syne toebehoorten, ses steene kannen, derthien matte stoelen (4), twee tafels, een banck, ende also tsaemen vier pond, twaelf schelling, acht groten.

Voorts drye coper ketels, drye coper haeckers (5), een coper schotelken, twee coper schuimspaenen, vier yser potten met hun pot deckxsels, twaelf tinne platteelen, neghenthien tinne taillioren, eene tinne kanne, een tinne waterpot, vyf tinne soutvaeten, vier tinne mostaertpotten, drye tinne schotelkens, een tinne trechter, neghenthien tinne lepels (6), tsamen neghen pond, sesthien schelling, acht grooten.

Voorts elf paer slaplaeckens, acht paer flauwijnen, drye tafel cleers, thien serveten, twee rebbancken (7), een heirtyser, een pluyme bedde met synne toebehoorten, neghen schotels swyne vleesch, eene hamne, ende nogh andere minuteijten, tsaemen twaelf pond, sesthien schelling, ses grooten.

In den  Bier kelder ende  Melck kelder

Drye tonnen en half groot bier met syn fuystagie (8), acht ydel bier fustagien, een mande, vier gantierkens (9), twee vaeten cleen bier, veerthien melck teelen, ende andere aerde werck, tsaemen seven pond, veerthien schelling.

In den  achter Keucken.

Voorts aldaer bevonden een wasch cuype, drye andere cleene cuypkens, een van (10), een hang yser, een aerde pot, een plancke bart, twee staenijsers (11), ende andere minuteijten, tsaemen derthien schelling grooten.

Op den  Keucken Solder

Een vleesch stande met haer schele (12), een mandeken, acht sacken, een kyste, een wyntweire (13), een tafelken, ses oude plancken, een terwe seefden (14), een banck, een wafelijser, een half hoet terwe, een mandeken, tsaemen drye ponden seventhien schellingen grooten.

Int  Boomgaerdeken

Een vimmeken met busschen ende een met blocken (15), ende drye bullekens van boomkens (16), twee coeijen, een lam ende twee cleene swintjes, ende also van stucke te stucke ghepresen achthien pond, acht schelling, vier grooten.

In de  Coe stal ende  Peerdestael

Een swyns backxken, een ros, een trogh, een greep, een seysen, een stal schippe, een mes aeck, vyf hondert blocken onder cleen ende groot : vier pond , veerthien schellingen, vier grooten.

Nota’s

  1. - Enkel of dubbel haakijzer, dat diende om de hangel te verlengen.
  2. - Het getande ijzer waaraan de pot boven het vuur hing.
  3. - Een houten emmer.
  4. - Stoelen met uit biezen gevlochten zitsel.
  5. - Een “haker” is een metalen emmer, terwijl een “hemer” van hout is.
  6. - Let er op dat er nog geen vorken aanwezig zijn.
  7. - Vierkante kast met schuifladen, “une commode” (Fr).
  8. - Fusten, tonnen waarin een vloeistof verzonden wordt
  9. - Houten gestoelte, waarop een ton bier of wijn rust.
  10. - Platte mand uit wissen gevlochten als een grote wijde oesterschelp; diende om graan van kaf te zuiveren.
  11. - IJzeren driepikkel.
  12. - Een deksel.
  13. - Een windscherm: windeweeg of windeweer. “un paravent” (Fr).
  14. - Een tarwezift
  15. - Een houtmijt met takkebossen en een met houtblokken
  16. - Een tronkske, een kleine boomstam.

----------0000    00000     0000-----------

Daarenboven liet de "besitteghe" op 1 augustus 1723 de klederen van de overledene verkopen door "Sr. Fransois Verhulst, stockhouder der heerelykhede vanden Canonincksche” en die verkoop bracht 19 pond, 19 schelling, 4 groten op. Op 25 mei 1724 liet Anna “haere lynnen en wollen prijsen door Jan Malefason, gheswooren prijser van desen lande” en deze schatting gaf:

  • sesthien vrauwe hemden a twee schelling, acht groten yder = 2 / 2 / 8
  • eene bruijne serge robe ende rock = 0 / 13 / 4
  • eene blauwe stoffe rok met voeringhe = 0 / 8 / 0
  • eene ander serge robe met rock ende catoene voeringhe = 2 / 0 / 0
  • een pluyme bedde met geluwe sarge ende slaplaeckens = 2 / 0 / 0
  • een silver iserken met goude hoofden = 6 / 0 / 0

De "contante penninghen" die in het sterfhuis gevonden werden, bedroegen (volgens de weduwe!) 56 pond, 4 schelling, 10 groten. Na het overlijden van haar man "heeft de besitteghe vercocht twee vette coeijen voor veerthien pond groten, van ghecost ses ponden grooten over garsganck ende hoorn gelt, blyft suyver baete acht ponden grooten.”

Tenslotte “heeft sy oock opghenoomen alle bouckschulden vande solvente persoonen, die ten desen sterfhuyse schuldigh waeren over gedaen smedewerck"; ende schulden beliepen maar eventjes “sevenentachentigh ponden sesthien schellinghen grooten".

Nu wij weten dat in 1723 een vette koe zeven ponden, en het zondagskleed van Anna Brabant twee ponden waard waren, kan het wel interessant zijn de verschillende prijzen met elkaar te vergelijken. Daarom geven wij hier onder de "somme totaele van de baeten" op:

  • op den smisse solder = 24 / 7 / 8
  • in de smisse wijnckelder =  81 /17 / 2
  • in den keucken, kelder ende solder = 39 / 9 /10
  • int boomgaardeken ende stallinghen = 31 / 6 / 8
  • cleederen vanden overledene =  19 /19 / 4
  • lynnen ende wollen vande besitteghe = 13 / 3 / 4
  • contante penninghen = 56 / 4 /10
  • bouckschulden =  87 /16 / 0

Benevens de onroerende goederen, liet "peerde smidt" Matthys Barton van Eyenbroeke op Oostkerke in 1723, het stevige sommetje na van 347 ponden, 4 schellingen en 10 groten.

---------0000     000000000     0000---------

Matthys Barton, peerdesmidt te Oostkerke

Firmin Roose

Rond de poldertorens
1969
03
099-107
Achiel Calus
2023-06-19 14:38:19