Het land achter de Evendijk - deel 3 - De Evendijk

Maurits Coornaert

Vervolg van: Het land achter de Evendijk : deel 2 - Onze Kuststreek vóór de Indijking

1. Wanneer werd de Evendijk gebouwd?

Het grondgebied van Koudekerke en van Ramskapelle, het noordelijk deel van Lissewege en van Dudzele, werden in de eerste helft van de XIe eeuw opnieuw door de zee overspoeld. Deze overstromingsperiode wordt de “Duinkerke -III A” genoemd. Zodra de zee zich terugtrok, nam men het schorreland in gebruik als schapenweide. Daarbij konden de terpen, die de overstroming overleefd hadden, diensten bewijzen; ook werden nieuwe werven opgeworpen. De streek werd weer uitgebaat en bewoond.

Maar allen die belang hadden bij de uitbating van het schorreland, zullen de noodzakelijkheid ingezien hebben, het land en zijn bewoners te beveiligen tegen mogelijke nieuwe aanvallen van de zee. Tot nog toe kunnen we enkel gissen welke personen de bouw van de dijk gesteund hebben. De Graaf met enige van zijn ridders, die bezittingen gekregen hadden in de schorrestreek? De abdijen van St-Baafs en van St-Pieters te Gent, die daar schapenweiden bezaten? Ofwel waren zij het, die er het meeste belang bij hadden, zij die het tiendenrecht bezaten: nl. de abdij van St-Bertins te St-Omaars voor Lissewege Ambacht, het kapittel van St-Donaas te Brugge voor Dudzele Ambacht, de abdij van St-Kwintins in Vermandois voor Oostkerke Ambacht?

Wie er ook aan meegewerkt heeft, een gesloten afweerlijn komt tot stand. De lijn begint te Uitkerke en bereikt, na een grote bocht gemaakt te hebben, het Zwin. De onderdelen ervan noemen Evendijk - Kalverketedijk - Bloedlozendijk - Langendijk. Het land achter deze lijn wordt niet aangetast door de volgende overstroming, de “Duinkerke - III B”, en heeft de naam Middelland gekregen. De delen in Lissewege, Dudzele, Oostkerke, die zelfs de “Duinkerke - III A “ niet meer gekend hebben, noemen het Oudland (1).

De “Duinkerke - III B” komt opzetten rond 1130. De bouw van bovengenoemde dijkenlijn moet rond 1090-1100 geplaatst worden. De zee ondervindt weinig hinder vanwege de duinen, die nog in wording zijn, en beukt rechtstreeks op de Evendijk. Deze heeft waarschijnlijk nooit het formaat gehad van de echte zeewerende dijken, zoals die later opgeworpen werden.

2.  Dijkbreuken

Er gebeuren dan ook dijkbreuken. Men heeft de middelen niet om het dijkgat dadelijk te dichten0 dedurende langere tijd overspoelt de zee een deel van het land achter de bres en brengt er lichtere grond op. Zulke plaatsen met overslaggrond kan men goed herkennen op de bodemkaart van Ing. J. Ameryckx (2).

De stroming in de bres schuurt een laagte uit, waarin het water rondkolkt of rondwielt. Er ontstaat een wiel of weel. Wanneer men er dan tenslotte kon toe overgaan de dijkbreuk te stoppen, was het niet mogelijk het dijkgat zelf met zijn wiel te vullen. De methode, die men bij iedere bres in de Evendijk heeft aangewend, is de volgende: er werd, naar de zeezijde toe, een nieuw eind dijk aangelegd rond de bres: een “vingerling”.

Enkele van die vingerlingen zijn nog zichtbaar; o.a. 2 grote nabij de hoeve Raaswalle te Uitkerke. Een merkwaardige vingerling is gelegen ten oosten van Koudekerke. Hij vormt een grote driehoek; de vooruitstekende hoek werd later als een geschikte plaats aangezien om een molenwal op te werpen. Het dorpje Koudekerke heeft daar een molen gebouwd, die later de “Oostmuelen” genoemd werd.

Achter de bres lag een groot “weel”, dat volgens de aanduidingen in de ommelopers ongeveer 100 roeden (1500 m2) groot was. In de landboeken van de XVIe eeuw noemt het nog “een groote nederynghe ofte wael” (3). Waal is een nevenvorm voor weel. In de ommeloper van 1670 wordt de laagte vermeld als “nederen wal”. De naam is “Knypswal” of “Knibbelswal” (4).

De Knypswal geraakte stilaan gedempt; bij zover dat men de weg, die bovenop de Evendijk liep, er weerom kon rechtdoortrekken. Die weg is nu de Westkapellestraat. Aan beide zijden van de straat staan een rij huizen; en het is merkwaardig dat de huizen, die gebouwd staan ter hoogte van de vroegere nedering, nu nog een scheefgezakte voorgevel hebben, of er vroeger een hadden.

We hebben reeds gewezen op de dijkbreuk nabij Zandschere. En volgens J. Ameryckx zijn er 2 dijkbreuken vlak naast elkaar (5). Ook hier werd een deel van het Middelland overdekt met een laagje zandige klei. We vermoeden dat tengevolge van dit feit de vroegere naam van de omgeving, Zoutschere, veranderd is tot Zandschere.

3. De Sluizen in de Evendijk

R. De Keyser heeft er op gewezen dat de enige opening, die in het begin in de dijkenlijn gelaten werd om het overtollige water af te voeren, de Munecareda of Monnikerede was; omdat deze afvoerweg het minst aan de stormvloeden blootgesteld was (6). De watergangen van gans het Oudland en van het Middelland moesten, langs Brugge om, naar de Munecareda afvloeien. Zolang de lijn Evendijk - Kalverketedijk nog “in het opene van de zee” lag, was het te gevaarlijk om langs die zijde een opening, met of zonder sluis, te laten.

Maar rond 1170 zag de St-Kwintinsabdij zich verplicht, wegens onenigheid met de heer van Oostkerke, een eigen afvoersloot te graven in de richting van de Bloelozendijk. In die dijk werd een sluis, de Kwintinssluis, gebouwd. Na het bedijken van de Greveningepolder, werd genoemde sluisvliet verder doorgedolven, en dan kwam in de Greveningedijk de sluis van Reigaersvliet tot stand.

Een deel van het Land achter de Evendijk kon afwateren naar Reygaersvliet langs de Noord- en de Zuid-Ramskapelse Watergang.

In de eerste helft van de XlIIe eeuw werd ten noorden van de Evendijk de Oudemaarspolder afgedijkt. Het water van deze polder werd niet naar Reygaersvliet geleid. Oordeelde men dat de afstand te groot was?

De Oudemaarspolder kreeg zijn uitwatering recht in zee langs de Eyensluys (7). In de Evendijk mochten nu openingen gemaakt worden om het water van het Middelland af te laten. Er bestond echter nog altijd gevaar dat de nieuwe zeedijk of de zeesluis doorgeslagen werd. Daarom moest de Evendijk in stand gehouden worden als zeewerende dijk en werden de openingen in de dijk, langswaar het water uit het Middelland naar Eyensluys afvloeide, voorzien van sluizen.

De lange Smalle Watergang werd doorgetrokken tot aan Boudin Weitinssluis en kon dan afvloeien langs de West-Ede. Die sluis is waarschijnlijk genoemd naar een sluismeester van de Watering van Eyesluys. We kennen in elk geval een Karstiaen fs Weitins, die sluismeester was in 1301 (8). In latere tijden werd de sluis een heulbrug, waar men onderdoor kon varen: “Schellewaertshuelbrugghef” die zijn naam ontleend heeft aan een persoonsnaam.

De Kemelader werd verder doorgegraven tot de Coppesluuse om in de Oost-Eede te kunnen lozen. Deze sluis heette ook de “Oppesluuse” (9). Andere namen zijn: Coppersluuse, Coppelheule, Coppetsheule. Deze laatste term is ons nu duidelijk geworden. Het is een vervorming van “Copboutsheule” d.i. de heulbrug van een zekere Jacop Bout (10).

4. De Evendijk als Leengoed

De Evendijk was een leen van de Burg van Brugge (11). In dit leengoed was ook de Pannedijk begrepen. Een andere bewijsplaats heeft reeds aangetoond dat de Evendijk en de Pannedijk als een eenheid aangezien werden. Een charter verklaart dat in 1288: ”die welcke Hevendyc strecket van Uutkerke oost totten Wintgate”(12). Het Windgat was een plaats, vermoedelijk een dijkbreuk, aan het noordeinde van de Pannedijk, ten noorden van de kerk van het huidige Duinbergen.

Uit het feit dat de Pannedijk met de Evendijk meegerekend wordt, en niet met de dijk van de Vardenaerspolder, kan afgeleid worden dat de Pannedijk de Oudemaarspolder heeft helpen vormen, en dat de Vardenaerspolder pas enkele jaren later aan de oostzijde er tegenaan gekomen is.

Bovengenoemd leengoed werd verpacht, meestal aan de naastbijwonende boeren. De dijk was verdeeld in 3 “rekken”. Het eerste rek strekte zich uit van de molen van Uitkerke tot de grens tussen de parochies Uitkerke en Lissewege; het 2e rek van het laatstgenoemd punt tot de grens tussen Lissewege en Heist; het 3e rek verliep tot aan de zeedijk of Graaf Jansdijk. In dit laatste rek was de Pannedijk besloten. De totale oppervlakte van de 3 rekken was 42 Gemet.

Verder waren er op de Evendijk, ter hoogte van Heist, nog 4 kleinere percelen, die in cijns gegeven waren: 2 huizen met hoveniershof,”een huys ende hoveniershof jeghens den molenwal ten gebruyke van den molenaere tot Heyst” en “den molenwal”. Dit molenaarshuis en die wal met zijn molen, lagen aan de noordzijde van Koudekerke. In het begin stond op dit walletje de Zuidmolen. Deze is rond het midden van 1500 verdwenen. Nadat de Oostmolen bij de Godsdienstberoerten tenonder-gegaan was, heeft Heist opnieuw een molen gebouwd op de wal van de vroegere Zuidmolen. De ommelopers van 1575 - 80 vermelden de “Dorpsmolen” of “Grote Molen” nog niet, maar hij moet er gekomen zijn vóór 1608: “. . .daer nu 1608 den muelen up staet.” (13).

5. Een Beeld van de Dijk

In zijn beginperiode was de Evendijk een zeewerende dijk en ook, wanneer de dijk van de Oudemaarspolder er stond, moest hij instand gehouden worden voor het geval de nieuwe polder invloeide. Maar stilaan werd dit gevaar minder mogelijk geacht en werd de dijk, zoals veel biïmendijken, afgegraven. De aarde kon men gebruiken om de zeedijk te versterken, om wegen op te hogen, om turfputten te vullen of voor nog andere doeleinden.

Ten westen van de grote baan Lissewege-Zeebrugge is de breedte van de dijk 18 m, maar de hoogte is praktisch nul. Van genoemde weg tot het Zeekanaal is de dijk geheel verdwenen. Van het Zeekanaal tot de Zandscheerweg, nu Ploegstraat, is de dijk afgeplat. Van de Zandscheer-weg tot de Schipdonkvaart is de breedte ongeveer 20 m en is er een hoogte van omtrent 1 m zichtbaar.

Ten oosten van de Leopoldsvaart is de breedte ongewijzigd gebleven: ze varieert van 17 tot 21 m. De hoogte is hier 1 m, daar 0,5 m. Verder te Heist is de Evendijk grotendeels overgegaan in de Marktstraat en de Westkapellestraat. De smalle stroken die links of rechts overbleven, zijn nu opgenomen in de aanpalende velden of verdwenen door bebouwing.

Vanaf het knooppunt met de Pannedijk tot Veldegoede, noemt de Evendijk in alle middeleeuwse dokumenten, de “Somerwegh” of de “Somerstraete”.

Van waar komt die naam? Het is bekend dat de wegen in onze streken gedurende de wintermaanden echte slijkputten vormden en praktisch onbruikbaar waren. De zomerweg zou dan een weg geweest zijn die alleen in de zomer berijdbaar was.

Een andere etimologie is mogelijk. In het middeleeuws latijn bestond het woord sagmarius, dat in het Frans sommier werd, d.i. lastdier. Sommier werd in het Middelnederlands overgenomen als “somer” of “somerpeert” (14). Was de Zomerweg een weg waarlangs lastdieren gingen?

Als laatste bijzonderheid kunnen we vermelden dat er op de Evendijk twee stenen kruisen hebben gestaan. Het eerste stond ongeveer halverwege Bouden Weitinssluis en Coppesluis, en is vermoedelijk verdwenen tengevolge van het graven van de 2 kanalen. Het tweede “steenen cruuse” had zijn plaats op de Zomerweg, even ten zuiden van de Izabellevaart, rechtover de Speelmansweg (15).

6.  De Naam Evendijk

Voor de term Evendijk werd totnogtoe geen afdoende verklaring gevonden. Eén feit is evenwel zeker, nl. dat de term in de Xe-XIe eeuw algemeen gebruikt werd in het gebied rond de Zwinmonding. Door een vertakt krekensisteem was het land verdeeld in landtongen en eilanden, en op enkele van die landsdelen werd de eerste zeewerende dijk Yevendijk genoemd. Andere schrijfwijzen zijn: Yvendijk, Hevendijk, Heyendijk (16).

In die tijd waren de eilanden Kadzand en Zuidzande nog door een kreek van het gebied rond Oostburg gescheiden. De oudste zeewerende dijk in het Ambacht Oostburg, langs die kreek, noemde Yevendyk. Het oudste waterschap aldaar werd aangeduid als de “Oude Hevine” (17). Ook op het eiland Wulpen heette de eerste grote zeewerende dijk, die het eiland omsloot, “Hievendyc” (18). Deze spelling was aanvankelijk ook hij ons in voege. We vinden die nog 2 keer in de legger van Heist, die steunt op vroegere leggers: Ievendyck en Yevendyck (19).

In het noorden van het Brugse Vrije was er dus een Evendijk, zowel op de linkeroever van de Zwindelta, als op de rechteroever; en nog een op Wulpen. Op elk van de drie bedoelde landsdelen werd door de Evendijk een kernland gevormd, waarrond in latere eeuwen nieuwe polders aangegroeid zijn.

Bij deze overweging krijgen we de indruk, dat de bewoners van de Zwinoevers in de term Hevendyk of Hievendyk een betekenis zagen als “Gemeenschappelijke verdediging tegen de zee, waardoor vaste uitbating en bewoning van een landsdeel kon beginnen”.

Van meet af aan heeft men het Land achter de Evendijk als “vasteland” beschouwd, en het land daarbuiten als nieuwland. Tot in de XIVe en XVe eeuw, wanneer de Oudemaerspolder reeds lang ingedijkt was, bleef de traditie bewaard om het land in genoemde polder te beschouwen als “buten dike ligghende in Oudemaerspoldre”, “extra dicum”.

Men aanzag het Land achter de Evendijk niet als polder, alles daarbuiten wel. Daarvoor is er een geschikte aanduiding. Het Hof van Wijbroek te Aalter, bezat vijf kleine achterlenen te Heist. Vier ervan liggen in het 30e Bg. Eye; en het vijfde, zo zegt de nota, “light in de poldere” (20). We hebben het inderdaad in de Oudemaerspolder gevonden.

Hier moeten wij wijzen op een verkeerde opgave bij K. De Flou. In de oktrooien van de Burg van Brugge heeft hij het toponiem “Zandscheere-poldre” gevonden; die polder situeert hij in Lissewege (21). Daardoor meenden we eerst dat de jegenode Zandschere in Lissewege als een polder beschouwd werd. We hebben het archiefstuk zelf geraadpleegd en bevonden dat het hier gaat om de Zandscherepolder op het eiland Kadzand: “un poldre appelé Gheltzac ou Zandscheere … en la parroisse et isle de Cadsant” (22).

LEES VERDER:  Het land achter de Evendijk : deel 4 - Waterwegen, Landwegen, Grenslijnen

7. Bronnen

  1. J. Ameryckx, Verklarende tekst bij kaartblad Heist 11 W, p 12-15 (1954).
  2. J. Ameryckx, Bodemkaart van België, Heist 11 W (1954).
  3. Ommel. Eye 30e Bg. R. A. Br. Reg. Vrije 15958.
  4. Ommel. Kerk Heist f° 96 r° en f° 73 v° (1525), Arch. Bisdom Br. F 44
  5. J. Ameryckx, Verklarende tekst Kaartblad Heist 11 W, p 15 (1954)
  6. R. De Keyser, in Rond de Poldertorens 4e jg. Nr 2, p. 50 - 60
  7. Zie ons artikel in Rond de Poldertorens 4e jg. nr 4, p. 132
  8. C. Carton, in Ann. Soc. Em., 1e reeks, deel III, p. 53 en volg.
  9. Zie nota 7, p 132.
  10. Rekeningen Eye (1594 - 95) f° 14. v°, Stads Arch. Brugge.
  11. Verz. Mestdagh Nr. 1721 (1777) R. A. Br.
  12. C. Carton, o.c. p 117,
  13. Ommel. Eye 30e Bg. R. A. Br. Aanw. 3650.
  14. Verwijs-Verdam, Middeln. Woordb., deel VII, p. 1519.
  15. Reg. Renten Onse Vrauwe Messe Heist, Wter Reyg, f° 1420 (1623), Pastorie Heist
  16. Dr. M.K.E. Gottschalk, Hist. Geogr. West-Zeeuwsvl., deel I p.97 (Assen 1955)
  17. Dr. M. Gottschalk, o.c.,  p. 4 en 7
  18. Dr. M. Gottschalk, o.c.,   p. 123
  19. Ommel. Kerk Heist f° 15 r° en 17 r°, Arch. Bisd. Brugge, F 44 (1525).
  20. Ommel. Eye 30e Bg. R. A. Br. Aanw. 3650.
  21. De Flou, Top. Woordb., deel XVIII, kol. 271.
  22. Reg. Burg Brugge, Octroyen (1548 - 1578) f° 184.

00000000000000       00000000000000     000000000000

Het land achter de Evendijk : deel 3 - De Evendijk

Maurits Coornaert

Rond de poldertorens
1963
04
137-143
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15