Tobias Neyts - Waard in 't Gildenhuys te Oostkerke – 1702-1762

Firmin Roose

1 ‘t Gildenhuys

Oost van het kerkhof van Oostkerke, in het 8e Begin van de Watering van ‘s Heer Baselishouck, tussen de "heerwegh" en de "kerckewegh", lag eertijds een perceel land, groot 81 R°. Vanzelfsprekend ligt het er nu nog, en in termen van 1972 zouden wij kunnen schrijven: centraal in het dorp, langs de weg van de kerk naar de brug van Oostkerke, vlak voorbij het huis waarin thans Paul Braet woont, het perceel waarop zeer onlangs een nieuwbouw werd opgetrokken.

Wanneer omstreeks 1550 de Ommeloper van ‘s Heer Baselishouck werd opgemaakt (1), stond er op dit stuk land "eenen nieuwen huuse, daer de Capelaenen in woonen". Tijdens het bijwerken van die zelfde Ommeloper in 1616 kwam er een notitie bij: "ende is het parcheel daer nu het Ghuldenhuus van St. Sebastiaen op staet". En naast de beschrijving van het stuk, staan de namen vermeld van enkele pachters van het Gildenhuis, o.m. Guille van Poucke (1652-59), Adriaen de Corte (1674), Adriaen van Poucke (1685-96), Philippe Provoost (1710), Carel Bonhee (1725), Jan Roelof (1726) en tenslotte ook Tobias Neyts (1750). In de Ommeloper van Jacques Lobberechts (1669) komt daarenboven nog Anthone van Pou­cke als gebruiker voor (2).

Het is deze Tobias Neyts, die wij als onderwerp voor deze bijdrage gekozen hebben, omdat hij meer dan dertig jaar pachter van het Gildenhuis is geweest en door zijn matrimoniaal leven wel even in de kijker zal gelopen hebben. Hij werd er als uitbater opgevolgd door Guilliame de Fonseca, die in 1810 als "herbergier" overleed. Of deze echter zijn functie nog steeds in het Gildenhuis uitoefende, kunnen wij niet verzekeren (3).

rdp197204p120 133 1Het Gildenhuis voor de 1e wereldoorlog Boven de deur: A St SEBASTIEN ESTAMINET

2019 10 09 090103Handtekening van Tobias Neyts en Isabelle De Ceuninck 1751

rdp197204p120 133 2Plan centrum Oostkerke

Het Gildenhuis was niet alleen "herberghe", maar tezelfdertijd "brauwerije" en hofstede. Het behoorde voor de helft toe aan de St.-Sebastiaansgilde, voor de andere helft aan de kerk van Oostkerke. In 1745 lezen wij (4): "aen Pieter de Klerck, als hooftman vande jonghmansgilde van Ste Sebastiaen" en "aen Sr Ignatius Maelstaf, als ontfanghere vande ghoederen aencommende de kercke von Oostkercke, over pacht van t’huys ende herberghe by den sterfhuyse ghebruyckt". En in 1762 (5); "aen Pieter de Klerck, als hooftman van d’Oude Gilde van Ste Sebastiaen in Oostkercke, de somme van 3-10-0 gr., par reste en in voldoeninghe van den Jaere pacht ende huysheure vande herberghe ende Brauwerije genaemt ’ t Gildenhuys, de Ghilde voorseyt competeerende d'helft, wanof de wederhelft behoort aende Kercke van Oostkercke".

De leden van het gild kwamen er geregeld samen om zich te ontspannen, hetzij met de "handtboghe", hetzij met de bollen en waarschijnlijk ook met een soort spel dat wij niet goed kunnen thuiswijzen en dat met "stuyckisers" gespeeld werd. De Bo (6) schrijft dat een "stuyckiser" een soort beitel was,

"hol binnenin, om, onder de slag van den hamer, gaten te stoten in een stuk arduin, dat te dik was om geboord te worden", dus een stuk alaam dat wij thans "plugijzer" noemen.

Wij vragen ons echter af waarom een man als Tobias Neyts in 1743 "12 stuyckisers ende 12 bollen" bezat, in 1746 "14 stuyckisers onder goede en slechte, ende 18 houten bollen", in 1757 "40 stuyckisers ende bollen" en in 1762 "drye dosseynen bollen ende 18 stuyckisers". En waarom die stuyckisers steeds samen met de bollen van het bolspel vernoemd werden? Weet iemand misschien iets af van een spel, waarbij dergelijk tuig werd gehanteerd? Verwijs en Verdam schrijven; "Stuken komt voor als term bij verschillende spelen. De aard van het spel is niet nader bekend". En als voorbeeld uit Nederland halen zij aan "stuken met hiltiken (kooten)" (6). En De Bos "Schreef stuiken = met een schreefstuk (ronde platte loden schijf) naar een streep werpen, om ter naast (om het dichtst)".

A - Huys en Herberghe

Te oordelen naar de weelde van de inboedel, was de waard van het Gildenhuis een burger in goede doen. In 1762 omvatte het huis "den keucken, de vautecamer (oock hooghcamer), de gildecamer (of platte camer), het achterhuys, een melck en een wijnkelder, den solder en het ovencot". Omstreeks 1744 moet de woning omgebouwd zijn, want, waar er in 1743 slechts een "camere" en een kelder vermeld werden, vernoemt men in 1745 "een vaute en een gildecamere" afzonderlijk, evenals "een kelder en een achterkelder".

In de keuken stond "'t bedde gestoffeert", er hingen 4 schilderijen, men zag er "een staende orlogie met haere kasse", "8 kopere candelaers" (1743) en wel een 140 pond "tinnewerk, onder lepels, zautvaeten, maeten, cannen, taillioren en schotels" (1762). Daarnaast waren er de "6 steenen stoopcannen" en evenveel "steenen pijnten, het gleijerswerck, het glaesereck met 53 bieren wynglaesen" en nog een hele reeks gebruiksvoorwerpen, zoals o.m. "een vleeschvorcke, 2 vierschoppen, een kouckeschoppe en een iseren comvoor". Voor de sportieve aanleg (en de vrie tijd!) van Tobias getuigen "een kruysnet, twee jaghtfusijcquen met een weimes en een handtboghe".

De hoogkamer borg 80 pond "tinnewerck", waaronder "18 taillioren en 13 schotels", "een tinne treckpot met een coperen thé-moor, een theereckje met alle de bacxkens en schaelkens, een canneboordt, drye lepelbardels, 58 staele forsetten, 15 tafel-messen, twee stryckisers met bun bouten en een syde zeefde".

In 1762 bewaarde men daar ook "8 pondt broodtsuyekere".

"3 Stuckx schilderien" sierden de platte kamer, waarin wij nog "4 taefels met hun schraegen, 3 bancken, 15 à 20 matte stoelen, een pijllecasse" en in 1743 "een pluymen bedde met zijn toebehoorten" aantreffen, in 1745 stond dit laatste reeds op de "vautecamer"„

Het "achter-huys ofte ovencot" bevatte "een trogh, twee tinne waeterpotten, twee hayre (=haren) zeefden, een draeghjock, een kouckisere, 2 iseren ovenpaelen, een vleeschstande en een keerne", plus nog wat andere "prondelynghe".

De kelder was in tweeën verdeeld: de grote wijnkelder en de kleinere "melckkelders". Was de laatste de koele bewaarplaats voor "een pot met boter en een dito met smout" en tevens bergplaats voor "een roomstande, 3 steene pul­len, 21 aerde teelen, een aerde pot, een tinne teele, een teste (=aarden schotel of kom) en 5 gleijerde teelen", de eerste diende tot stapelplaats voor 'gevaarlijker' materiaal. Naast de "seven tonnen en half groot bier" (klein of licht bier was er niet voorradig!) lagen de sterker gealkoholiseerde dranken: in 1757 waren dit bijv. "9 stoop franschen brandewijn, 5 stoop annijs, 15 stoop genevere en 110 bottels wijn; ( in 1762: "184 botteljen met vol wijn"). En dan waren er nog de "bierguantieren, het wijnreck en de idel bottillien".

Op de zolder stond een "ledycant net een caffen bedde in genoemd "een peckelkoetse met slaepinghe"), een peerdezael en toom" en een hoop landbouwprodukten "ses hoet twee vaeten geerstemout, gheschoten ende gedrooght, een vat tarwemeel, ses vaeten havere, 48 pond hoppe, 60 pond swynevleesch" (1762) en soms nog wat "terwe en gerste (1743) en sucryoen (1745)".

In "den achterhove" zien wij in 1762 een nieuwe aanbouw; "twee gemaeckte koten, staende op staecken in d' aerde, noordt-west bij ' t huis". Er was ook "de hovenieringhe met boonpersen en wat poreije" (1745) en er lagen "holmen blocken en wulghen" (1745).

B - De Brauwerije

Als alaam bevatte de "brauwerije" in 1743 s "een brauwcuype, twee coelbacken, den ketel met syn bonijselgoten, onderput met de vijerijnghe van den voorseijden brauwketel, 75 stuckx idel fustagie, bestaende in tonnen, halve tonnen, gistvaten, etc. met twee waschcuijpen". In de kelder stonden "6 guantieren (= houten stoeltje, waarop de tonnen rustten), een wijnreck, een idel quarteel, twee tonnen groot bier, hondert idel gehijckte botillien, 6 steene kruycken, een vat met 5 stoop geniver en drije cannen met franschen brandewijn".

In 1745 noteerden wij daarbij: "13 bierboomen, 50 stuckx fustagie onder tonnen derdendeel en halve tonnen, vijf ghesaeghde esschen rebbekens, den bleckengrondt van den hast met een graencuype".

Sedert hij de brouwerij had overgenomen, had Tobias het brouwmateriaal geweldig verbeterd. Bij Sr Paulus Allaert, meester-coperslagher binnen Brugghe” had hij o.m. "eenen nieuwen Brauwketel" besteld, die, "hanghende in sijn matsenent" op 10 februari 1746 door dezelfde Allaert op 31-l6-10 pond groten geschat werd.

Aan Sr L. B. Paternostere bleef een rekening te vereffenen "over de leveringhe van een stuck hooghe Jalosse wijn". In 1757 was Sieur M. De Beir leverancier van brandewijn, "bestaende in genevere als annijs" en in 1762 was men 20 gulden 3 stuyvers schuldig "aen d'huysvrauwe van Sieur Charles Tilly, over leveringhe van franschen brandewyn".

De aangroei van het gezin maakte het noodzakelijk dat in 1762 tot in de "brauwerije" toe plaats voor een "bedde met zijn toebehooren" moest gevonden worden.

Ter vergelijking en tevens als aanvulling, de beschrijving van het materiaal in 1762: "een gote, 7 gantieren, het bleck op den hast lighende, de staecke en wippe om water te slaen, een polij en gote, alle cuijpen, gistvaten en biergantieren". De "bierfostagie bestond uit 50 tonnen (à 6 sch.8 gr. jedere tonne) en 70 halfve tonnen (à 3 sch.4 gr.)". Tenslotte was er de "brauwketel in zijn matsement, een brauwkuijpe en een koelback, welcke stuckx bij den overledene in staende prysie aenveerdt zyn vanden proprietaris van diere (jan Roelof?), soo dat alhier maer en moet voor baete ghebrocht worden den heuvere prys boven de aenveerde staende prysie" en die hogere waarde beliep 17-13-0 gr.

C - De Hofstede

Waar Neyts de tijd vandaan haalde om, naast zijn herberg en de brouwerij, ook nog een paar hofsteden te onderhouden, mag Joost weten. Niet alleen had hij naast ‘t Gildenhuis "den Hovenierhof met boonpersen en wat poreije", maar ook "de scheure met terwe, erreweten en hoij" (1745). In die zelfde schuur stonden daarbij "een blisde merrijepeerdt met een swart ruijnvool, met noch een swart merrijevool", en de koestal verschafte een onderdak aan "een grimmele melckkoe, een roo blarde koe, een swart ossecalf, een roo blarde versekalf en een schilde kalf" (1743). Voeg daar verder "twee swijns, drije bilckschaepen, een lam ende 8 hinnen" bij en men heeft al goed zijn handen vol. Niettemin "gebruyekte" Tobias van 1745 af eveneens een hofstede met Gem, 27-0-55 R°, die hij pachtte aan "Jor Hendrijck Vleijs, heere van ten Doele, etca".

In 1762 stonden op dit "hofstedeken" "een waghen, ghelyck dien ten ougste ende te marckt gaet en een beircarre". (in 1743 bezat Tobias enkel een "bruwette" ofte driewielkar.) In de stallingen en op het hof liepen "5 drincklinck en een swyn en nog 2 swarte merriepeerden met hun harnasseuren". In de "weyde" graasden "een jaerlinck volen, 3 melckkoeyen, een tweejaersche veerse en twee jaerlinck veersen".

WeIke vruchten werden er toen ‘te velde’ verbouwd?

  • 1 ghemet 1 lyne peerdeboonen (geschat à 4 pond per gemet)
  • 2 lynen geerste (à 7 pond)
  • 1 ghemet 1 lyne peerdeboonen en vitsen (à 3 pond)
  • 2 ghemeten 1 lyne geerste (à 7 pond)
  • 2 lynen terwe (à 5 pond)
  • 2 ghemeten geersteterwe en aerd-appels (dooreen à 7 pond)".

Daarnaast lagen nog "150 roeden en 1 ghemet 1 lyne landts, synde Braecke". In 1757 noteerde men "in de scheure 13 sacken aerdappels, tot 4 sch. de sack".

Voor al de karweien in huis, brouwerij en op de hofstede vinden wij slechts een knecht (Daniel Beurman in 1745) en een meid (in 1743 de weduwe Christiaen Mestagh, in 1762 Rosa Kangij). Vergeten we echter niet, zoals wij hieronder zullen aantonen, dat Tobias over een regiment zoons kon beschikken. Reeds in de volkstelling van 1748 staat Tobias Neyts aangegeven als brouwer en herbergier, samen met Isabelle Keuninck, 5 zoons + 1 meid (7).

D - Tobias Neyts en de herberg St. Barbara.

Niettegenstaande dit drukbezette leven, liet Tobias een tijd lang ook zijn welgevallig oog vallen op de concurrerende herberg te Oostkerke, St. Barbara, waarover wij in de nabije toekomst een bijdrage hopen te leveren.

Nog tijdens het leven van zijn eerste vrouw vinden wij de eerste vermelding hiervan. In 1743 moest hij nl. 4 P. 13 sch. betalen "aen Sieur Martinus Zinnahl, over een half jaer pacht van t' huys St. Barbara, inbegrepen t' vermaecken van de pompe ende vaegen de schauwe" (8). In 1747 was Tobias nog steeds pachter en gebruiker ervan (9).

Maar tussenin was er iets anders gebeurd: Tobias had half en half zijn vingers verbrand! In de St. van Goed van zijn 2e echtgenote (1745) lezen wij immers (10): "den besitter heeft ghedeurende desen huywelycke gekoght een huys ende herberghe, genaemt Ste Barbara, ghestaen ende gheleghen ter Prochie van Oostkercke, in ' t dorp aldaer ende gemerckt, t'selve geene baete en kan sijn voor de weese (d.i. Philippas, zie hieronder), mits t'selve huys swarelijck is belast ende subject aen menighvuldighe reparation, soo dat den besitter geirn sigh daer von soude ontmaecken". Tobias had de herberg amper voor 45 pond gekocht en hij liet ze over voor hetzelfde civiele prijsje aan Pieter Callewaert, meester-timmerman te Oostkerke, blij dat hij ervan af was!

Wat er die man bezielde, weten wij vanzelfsprekend niet, maar in 1751, toen de chirurgien Jan Watelle in St. Barbara huisde, zou Neyts zich nogmaals vergalopperen. Op 6 november kocht hij de herberg af van Pieter de Baecke voor "134 pond gr. wisselghelt" (11) en reeds op 27 november  das drie weken nadien - verhandelde hij ze voor dezelfde som aan de weduwe Stephana Dobbels (12).

Als men nu weet dat Pieter de Baecke zelf pas in juni 1750 (12) eigenaar van St. Barbara geworden was (en dit voor evenveel pond!), dan vraagt men zich af wat voor intrige er wellicht aan de "basis van die onderscheidene transacties kan gelegen hebben.

2 Tobias Neyts

Tobias zag het levenslicht te Moerkerke op 29 September 1702, als 4e in de rij van zes kinderen van Jan Neyt en Catharina Taverne. Van die zes "bleven er bij ons weten slechts twee langere tijd in leven: Tobias en zijn 3 jaar oudere zus Walburga.

Heel vroeg werden beiden wees, toen nl. op Allerheiligen 1712 hun vader; en op 6 augustus 1714 hun moeder het hoofd neerlegden. De ouders werden met de laagste dienst aan de Moerkerkse aarde toevertrouwd. Moeder Catharina was inmiddels hertrouwd met Guilliame de Vos, over wie wij nadien in het omliggende geen nadere gegevens meer konden inzamelen.

Kinderen van Jan Neyt en Catharina Taverne, te Moerkerke gedoopt (14).

 

Petronilla

16 sept. 1695

+ 8 sept. 1704

Andreas

17 febr. 1698

+25 sept. 1698

Walburga

17 okt. 1699

zie hieronder

Tobias

29 sept. 1702

zie hieronder

Joannes

29 mei 1705

geen gegevens meer gevonden

Daniël-Johannes

24 juni 1707

+ 4 febr. 1717 (qui inopinato obiit - die heel onverwachts overleed)

Tobias en Walburga waren aldus vroegtijdig als weeskinderen op de dool en vonden waarschijnlijk ergens te Oostkerke een onderkomen, vermits zij er beiden hun verdere leven doorgebracht hebben. Walburga trouwde op 17 januari 1742 met Hendrick de Backer en, na diens dood, op 21 februari 1757 te Oostkerke met Jan Rutsaert. Tenslotte overleed zij er op 5 maart 1771.

Het matrimoniale leven van Tobias was zo veelzijdig en veelvuldig, dat wij genoopt zijn het in een apart hoofdstuk te behandelen.

3 Vijf maal Bruidegom

A - Met Lowijse Heijns

Op 28 augustus 1725 huwde Tobias Neyts te Oostkerke net Lowijse fa Louijs Heijns, de jeugdige weduwe van Jan-Baptist Droogenbroot. Zijn vriend Jakob Benoot, die met de dochter van Matthijs Barton, de peerdesmid van Eyenbroek (15), getrouwd was, fungeerde als zijn getuige. De verbintenis werd rijkelijk met 9 kinderen gezegend, onder wie 7 zoons!

Jacobus Franciscus

°7 juni 1726

 

David

°12 april 1728

†17 februari 1751

Benedictus Franciscus

°9 mei 1730

 

Joannes Franciscus

°16 december 1731

†5 februari 1733

Anna Francisca

°22 juli 1733

†6 november 1743

Nicolaus

°5 december 1734

 

Maria Elizabethe

°31 januari 1737

†17 juni 1740

Joannes Franciscus

°27 april 1739

†4 oktober 1739

Petrus Bernardus

°27 juli 1741

 

 

Toeval was het wel dat Hendrik de Backer en Walburga Neyts in 1734 respectievelijk peter en meter waren van de kleine Nicolaus. 8 Jaar later zouden zij samen bruiloft vieren!

Lowijse Heijns stierf op 13 februari 1743 en werd met een dienst van 6 lessen in het middenkoor van de kerk begraven. Jan Lejager verdiende zijn loon "over ’ t openen en toelegghen van den zerck op ’t graf" en Jan Blancke, Tobias’ naaste gebuur, "over ’t maecken van de doodtkiste en 't leveren van specerie in 's overledens leste sieckte".

Lowijse liet zes kinderen achter, van wie de 10-jarige Anna, enkele maanden later eveneens overleed. Zo bleef de 40-jarige Tobias alleen met 5 beren van zoons in het Gildenhuis zitten….

B - Met Catheryna Martiny

Aan een nieuw huwelijk, op 1 april 1743, met de 23-jarige Catheryna fa Anthone Martiny beleefde Tobias weinig geluk. Een huwelijkscontract werd nog dezelfde dag gesloten voor pastoor Hubertus Ketele, en Tobias was hierbij "gheassisteert by syn swragher Hendrijck de Backer". Na de geboorte van een zoontje verloor hij zijn vrouw in een volgende kinderbed. Philippus  die zelf al in de nood gedoopt werd door Tobias’ zuster Walburga  bleef aldus "het eenigh naerghelaeten kijndt, vermits d’overledene corts voor haere doodt heeft commen te baeren een kijndt t’gonne voor sijne moeder noch is commen te sterven" (16). Op 27 September baarde Catheryna inderdaad een doodgeboren jongentje, en twee dagen later schoot zij aan de gevolgen ervan zelf het leven er bij in. Zij kreeg dezelfde uitvaart als haar voorgangster en werd in het familiegraf (mid­denkoor) bijgezet. Joseph van Loke had haar "in haere doodtsieckte" bijgestaan en J. Wielmaecker uit Brugge mocht het "waschlicht" voor de kerkdienst leveren.        

Philippus °4 augustus 1744 N. proles mascula + 27 September 1745.

Dat Catheryna niet zo maar de eerste de beste cafébazin was, doch een da­me met standing, vertelt ons de beschrijving van haar garderobe: "een bruyne enckel crebpe robe en rock, een sijde damaste rock, een roste serge, een grauwe, een bruyne rock, een rocklyf, een paer mauwen, een saeye faillie, een paer coessen en schoen, 30 stropmutsen, 14 (h)ondermutsen, 21 halscleers, 8 witte en drye ghecoleurde neusdoecken, elf schorten en 10 hemden"„ De juwelen, waarover zij kon beschikken, gingen van bruid tot bruid over en stegen voortdurend in aantal. Wij geven ze hieronder, als bezit van de 4e echtgenote, Isabelle de Ceuninck.

C - Met Anna-Marie Soens

Nog brozer was het huwelijksgeluk dat Tobias met Anna - Marie fa Pieter Soens was voorbehouden. Na zijn bruiloft op 9 november 1745 werd zijn schoonmoeder Joanna de Vriese op 31 juli 1746 inderhaast bij geroepen om de kleine Ludovicus te helpen ter wereld brengen en hem het nooddoopsel toe te dienen. Waarschijnlijk was het knaapje te vroeg geboren, want op 5 augustus mocht To­bias het reeds laten begraven. Op 21 augustus kwam het 20 jarige moedertje aan de beurt. Voor de derde maal in een goeie drie jaar ging het familiegraf in het middenkoor open en toe. Van tegenslag gesproken! Of, vermits den een zijn dood den ander zijn brood is', een meevaller voor koster Faveers, die telkens de uitvaart mocht uit ridderen.

D - Met Isabelle de Ceuninck

De vierde bruid heette Isabella Clara de Ceuninck (de Coninck - De Koninck - Ceuninc). Zij was 24 jaar en afkomstig van Moerkerke, waar Tobias haar op 11 december 1746 ging wegpikken van haar vader Jacob en haar moeder Cornelie Lutseboudt (ook Utsebout). Op de vooravond van de kerkelijke plechtigheid liet de pastoor van Moerkerke, J. A. Beckers, bruid en bruidegom een huwelijkscontract ondertekenen.

  • Joannes Franciscus 0 6 november 1747
  • Anna Francisca 0 15 augustus 1750
  • Franciscus Jacobus 0 27 februari 1752
  • Bernardus Cornelius 0 25 februari 1755 + 12 april 1757 (bapt. domi abpericulum mortis  in doodsgevaar bij hem thuis gedoopt)

Tien jaar na dit huwelijk, op 4 januari 1757, mocht pastoor Ketels ook haar overlijden in zijn register noteren. Tijdens haar huwelijk had Isabelle, samen met Tobias, drie bruiloftsfeesten mogen meemaken, nl. die van drie zoons uit het eerste huwelijk van Tobias Neyts.

Jacob Neyts stapte op 15 december 1750 in het bootje met Joanna Soens, een jongere zuster van zijn stiefmoeder (zie hoger c). Benedictus Neyts volgde zijn voorbeeld op 5 juni 1753 en wel met Joanna Quintens, de dochter van Sebastiaen uit Ramskapelle. En tenslotte was het op 4 februari 1755 de buurt aan Nicolaus, die zich in de echt liet verbinden met Joanna fa Ludovicus van de Walle.

Na de dood van Isabelle werden de familiejuwelen gewogen en op een kleine 20 pond gr. geprezen door "Sieur Franchois Geeraerts, meester goudt en silversmidt binnen Brugghe". Zijn schatting behelsde: "een gouden keten van 3 toeren, een goude cruyse met een schuyvere, een paer gouden hoofden, een silvere iserken sonder hoofden, een goude moderynck, een kleene goude moderynck, een silvere senteurgispe met 5 roosen, een silvere nailde en een kercke-boeck mot een sil­vere slot en 4 houcken".

E - Met Isabella Allaert

Nog geen drie maand later zat Tobias wederom voor pastoor Joannes Ketele om er op 31 maart 1757 een zoveelste huwelijks contract af te sluiten. En andermaal was het bruidje een piepjong ding, de 20-jarige Isabella, de dochter van Cornells Allaert en Antonia de Maecker uit Westkapelle. Het huwelijk werd op 19 april te Oostkerke ingezegend.

- Joachim Laurentius °25 februari 1760.

Deze keer zou zijn vrouwtje hem overleven, want in 1762 werd Tobias ernstig ziek. Meester Jan Collé, "chirurgien tot Oostkercke" werd bijgehaald om medicamenten te leveren en de zieke te "scheiren". Zijn geneesmiddelen brachten echter geen baat, evenmin trouwens als die van een tweede chirurgien, Jan Vatelle uit Damme, wiens hulp Isabella ook had laten inroepen. Op 22 juni legde Tobias Neyts het hoofd neer en hij kreeg - benevens "een middelste dienst en een sepulture in de kercke" - nog 25 missen tot zijn zielelafenis.

Na een bewogen leven  5 huwelijken, 17 kinderen  kon de waard van het Gildenhuis voorgoed in vrede rusten.

  1. Nageslacht

Na het afsterven van Tobias Neyts was zijn 26-jarige weduwe “ertrauwt met Guilliame de Fonseca" uit Damme. Zij zouden de grootouders worden van o.m. Frans de Fonseca, die zoveel jaar later te Knokke met "Moeder Siska" zou trouwen. Nadat zij haar tweede man 6 kinderen had geschonken, overleed Isabella Allaert op 12 juli 1781. Guilliame hertrouwde op zijn beurt met Willemina Vermeire uit Varsenare, die nog een tiental Fonsecatjes ter wereld bracht, enz. ... doch laten wij ons tot de Neyts beperken.

Wie aandachtig de bovenstaande huwelijken ontleedt en de kinderen ervan volgt, zal spoedig inzien dat drie zoons van Tobias enkele jaartjes ouder waren dan het nieuwe echtpaar de Fonseca - Allaert; en dan kan men zich best voorstellen dat de erfeniskwestie niet van een leien dakje zou lopen!

Het begon al bij Benedictus, die waarschijnlijk zal gedacht hebben "hebben is hebben". Hij was aan het sterfhuis nog 12 pond 3 sch, schuldig, die de "besittighe evenwel niet kon becommen, alhoewel by haer ten dien eynde gedaen diversche serieuse en vriendelycke vermaeningen".

Toen de Staat          van Goed van Tobias werd opgemaakt, bleek uit "het provisineel sloth" ervan,   dat     "de lasten de baeten souden overwassen tot concurrentie van 5 p. 4 sch. 2 gr., wat dus betekende dat de wezen moesten bijpassen in de plaats van iets van hun vader te erven. Die pil konden de Neyts moeilijk slikken en zij richtten zich dan ook tot de procureur Kesteloot en verzochten hem een bezwaarschrift tegen deze regeling op te stellen. Wat hadden zij er tegen in te brengen? Nog al een en ander!

Vooreerst declareerde Isabella dat er aan "contante penninghen ten sterfhuyse" slechts 3 p; 10 sch. waren gevonden na de dood van haar man. "Niets van", riposteerden de Neyts en zij meenden te kunnen bewijzen dat er tenminste 50 P. was, ende dat noch bovendien separaet hebben geleghen eonige goude specien t’samen salvo justo 15 pond beloopen hebbende". Isabella was weliswaar "bereyt onder eede te verklaeren van gheene verdere penninghen te weten", maar zij moest toch toegeven dat zij intussen twee veulens had verkocht, zonder aan de voogden aangifte daarvan te doen.

Er was dus blijkbaar wel een vuiltje aan de lucht! Vandaar dat de eisers beroep deden op Guilliame de Fonseca en verklaarden "vastelyck te betrauwen dat den verweerdere (d.i. Guilliame) onder het faveur van de bij sijne huijsvrauwe gepresenteerden eedt niet en sou connen doen opereren het Spreeckwoordt "Geldt en Leen en deelt maer een" (17).

Benevens die verdwenen geldsom kwamen de gebroeders Neyts nog met andere bezwaren voor de pinnen. Niettegenstaande het nadelig saldo van de St. van G. had Isabella "buyten deele ghehouden alle haere cleederen ende juweelen" en zij had 200 guldens (= 33-6-8 gr.) over de weerde van de beste Coutse ende bedde", plus nog eens "200 guldens by forme van Douarie Conventionele thueren faveure" voorafgenomen. Dat was weliswaar haar goed recht volgens het "Con­tract Antenuptiael", maar het gevolg van dit alles zou zijn, meenden de broers, dat al de wezen "bastaerden souden zijn van hunnen vaeder, emmers ghepriveert sijn van hun vaederlijck erfdeel, waermede de verweerdereghe (= Isabella) by virtute van haer contract soude gaen strijcken". Wat er op neerkwam dat de we­zen de schulden zouden moeten helpen dekken, terwijl Isabella met een dikke bruidschat zou gezegend worden.

En de Neyts haalden gelijk bij de heren Schepenen: de tweemaal 200 guldens werden "geroyeert" en Isabella's "cleederen en juwelen werden t' saemen op 43-5-6 pond gr." geschat; zodat de St. van G. uiteindelijk met een batig saldo van meer dan 120 pond sloot. Hiervan kregen de wezen samen een goeie 30 pond te verdelen; de weduwe had immers slechts "gheconsenteert" met de gestelde voorwaarden "onder de expresse protestatie" dat zij, naast de haar van rechtswege toekomende helf van het batig saldo, van de andere helft nog eens de helft zou krijgen "en dat in redemptie van alle voorschreven voordelen".

Voor die 30 pond kwamen ze nog met negenen in aanmerking: Jacob, Benedictus, Nicolaus en Pieter uit het eerste huwelijk, Philippe uit het 2e, Jan,

Anna en Francheys uit het 4e, en de kleine Joachim uit het laatste huwelijk van Tobias, zijnde 8 zoons en een dochtertje.

Financieel zou die Joachim nog het best van allen varen. Na de boven aangehaalde tribulaties, die op 2 September 1763 in het voordeel van de wezen Neyts werden beslecht, erfde de jongeman "op de 2e sept. 1781 by der doot van synne oude Moeye Materneel, Isabelle de Maecker, weduwe van Jacobus Goedemé te Brugghe, 1/3 van 1/8 van de somme van 1668-8-1 1/4 p. gr." Dit zware saldo kwam o.m. "vanden vercoghten huyse" van Isabella. Daarbij mocht hij nog op 30 dec. 1782 "1/3 inde somme van 177-10-7 P.gr." innen "breeder volghens den Staet van Goede bij der doot van syne Moeder, lest in huywelyck geweest synde met Guilliaeme defonseca" (18).

En wat gebeurde er met de andere 3 minderjarige wezen van Tobias Neyts met Isabella de Ceuninck? Van Jan weten we alleen dat hij een deftige uitzet kreeg, zijn stand waardig: "aen Judocus Obyn, over het maecken van eenen nieuwen justakoor, veste en hemdrock ten dienste van de weese Jan". Er werden hem een paar nieuwe schoenen gekocht en "Nicolays Neyts, s' weesen broedere" kreeg een vergoeding "over t' wasschen ende repareren vande cleederen ende lynwaeten van deselve Jan". Verder vonden wij te Oostkerke geen sporen meer van hen.

Van Anna weten we nog minder. Enkel dit: "over leveringhe van vier ellen blauwe Bolle, voor de weese Anna"; en Jan Watelle te Damme was de leverancier. Waarschijnlijk is zij op 11 mei 1773 te Oostkerke getrouwd met Tomas Barrens.

Franseys leverde ons het meest gegevens op. Vooreerst mocht hij, samen met zijn "broer Jan, "ten wijntersaysoone 1762 tot 1763 bij kostere Pieter Paveers leren lesen en schrijven". Later kreeg hij nog lessen van J. E. van der Haeghen ("over twee maenden schoolgaen") en van Maerten Spelier ("over een jaer tafelcosten"). Inmiddels was de jongen 11 jaar geworden en mocht hij op stiel gaan: "aen Leopoldus van Cuijck, over seven maenden mondtcosten en ‘t vervoorderen het ambacht van Kleermaecker van de weese Franseijs" (1764) en "aen Jo­seph Cabootere over een jaer mondteosten en het leeren kleermaecken" (1765 tot 24 dec. 1766). Franseys trad in 1777 te Hoeke in het huwelijk met Victoria van de Waeter, verloor haar in april 1780 en hertrouwde op 3 januari 1781 te Oostkerke met Regina de Graeve, die hen 4 kinderen schonk.

Pieter en Franseys Neyts traden in 1783 te Westkapelle op als voogden van de 4 dochters van hun oudere broer Benedictus, die er in november overleed, nadat hij in augustus zijn vrouw verloren had. Jakob Neyts, de oudste zoon, stierf te Oostkerke op 18 mei 1780, nadat zijn vrouw 10 kinderen ter wereld had gebracht. Zijn broer Nicolays moest met 8 kinderen genoegen nemen; na het overlijden van zijn vrouw in sept. 1778, volgde hij haar op 27 dec. 1781 in het graf. De overige broers Pieter, Philippe, Joachim vonden wij niet meer terug te Oostkerke, noch in de omliggende gemeenten.

Nog jarenlang zouden de Neyts echter te Oostkerke blijven hokken. In 1812 trouwde er bijvoorbeeld een Tobias Neyts, landbouwwerkman en achterkleinzoon van de grote Tobias, met Martha Lems. En rond die tijd was Jakob Neyts (55 j.) veldwachter van de gemeente. En dan was er nog Nohemia Neyts, die met Jan Luckx gehuwd was en op haar 46e nog het leven schonk aan een zoon (1811), enz. enz.

Het is bijgevolg zo goed als zeker, dat wij onder de Neyts, die thans nog te Oostkerke of in de omgeving woonachtig zijn, afstammelingen van Tobias en zijn zonen kunnen onderkennen.

Bronnen

Naast de hieronder bij de noten geciteerde bronnen, maakten wij voor deze studie vooral gebruik van de Parochie registers van Moerkerke, Oostkerke en de omliggende gemeenten, alsook van de volgende Staten van Goed uit de reeksen van het Brugsche Vrije (RA Brugge):

Ludovijca Heijns (1743)

1e reeks, nr. 2778

Catheryna Martiny (1745)

1e reeks, nr. 2567

Anna Marie Soens (1747)

1e reeks, nr. 2485

Isabelle de Koninck (1757)

1e reeks, nr. 1739

Tobias Neyts (1762)

2e reeks, nr. 9936

Tobias Neyts (Rek. Purg. 1768)

2e reeks, nr. 7815

Benedictus Neyts (1784)

2e reeks, nr. 11357

Er waren ook Staten op naam van David (2e – nr. 11423) en van Pieter Neyts (2e nr. 13457 en nr. 11458), maar ze blijken reeds vóór 1926 spoorloos te zijn, zodat wij niet weten of het hier zoons van Tobias geldt.

Noten

  1. Fonds Joncheere, nr. 1257.
  2. Gemeentearchief Oostkerke, nr. 406.
  3. Stand Oostkerke 1810, nr. 49, 31 augustus.
  4. van G. Br. Vrije - 1e reeks, nr. 2567.
  5. idem idem     - 2e reeks, nr. 9936.
  6. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, p. p. 972, 870 en 799.Verwijs en Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, p. 2368.
  7. Brugse Vrije, Bundel nr. 7570.
  8. van G. Brugsche Vrije - 1e reeks, n 2778.
  9. Passeeringen Br. Vrije, nr. 16155, p. 65.
  10. van G. Brugsche Vrije - 1e reeks, nr. 2567.
  11. Passeeringen Br. Vrije, nr.16158, f° 133 v°.
  12. idem , 16158 f° I42.
  13. idem , nr. 16157, f° 57 v°.
  14. R. Moerkerke, nr. 3 en 4.
  15. Lees over Matthijs Barton in Rond de Poldertorens 1969, nr. 3 P. 99 à 107
  16. van G. Br. Vrije - 1e reeks, nr. 2567.
  17. Uit het bezwaarschrift, ingesloten in St. G., 2e reeks, nr. 9936.
  18. Weeseregister Br. Vrije, nr. 36508, f° 47 v0.

De nr. 3 en15 uitgezonderd, kunnen alle andere noten nagezien worden in het Rijksarchief Brugge.

Tobias Neyts - Waard in 't Gildenhuys te Oostkerke – 1702-1762

Firmin Roose

Rond de poldertorens
1972
04
120-133
Ludo Sterkens
2023-06-19 15:26:46