Mededelingen:
1. Oorlog 14-18 te Lissewege in het Liber Memorialis

Johan Ballegeer

 Van 1903 tot I920 was Aloysius Vandepitte pastoor te Lissewege. Op pagina 78 van het Liber Memorialis wijdt hij enkele beschouwingen aan de oorlog en de Duitse bezetting. Uit alles blijkt dat deze beschouwingen slechts na de oorlog werden neergeschreven. Zoals in vele oorlogen en vele parochies deelden pastoor en onderpastoor niet steeds dezelfde mening. Onderpastoor Lagae was berucht voor zijn donderpreken, waarin hij collaborerende prominenten aan de kaak stelde.

Zo was er op zekere dag een koekebak-feestje geweest, waarop ook Duitse officieren aanwezig waren. Waar of niet, doch deze koeken zouden gebakken zijn met bloem van ’t comiteit". De volgende zondag vroeg Lagae de beminde gelovigen allemaal eens goed hun catechismus uit te pluizen, want hij wist wel dat men zijn vijand moest beminnen, doch of men ook koeken moest bakken voor zijn vijanden, daar twijfelde hij aan. Hij wees daarbij een van de voornaamste burgers van de parochie aan. Misschien ligt hierin en in nog andere anekdoten als deze de reden te vinden waarom E.H. Lagae, begin 1918, het verblijf op zijn parochie verboden werd.

Verteld wordt dat pastoor Vandepitte niet zo vijandig stond tegenover de bezetters, dat hij zeer rijk was en veel bezittingen in Duitsland had. Dit laatste konden we niet controleren en lijkt ons twijfelachtig.

Hier volgen zijn notities uit het Liber Memoriales:

Na de oorlogsverklaring van Duitsland tegen België op 4 augustus 1914 hebben in oktober de eerste Duitse soldaten de brug aan de overzet komen bezetten.(Herdersbrug? Of is bedoeld aanlegsteiger bij de overzet?) Vier dagen voordien waren de Belgische troepen, die van Antwerpen kwamen, en hier drie dagen verbleven waren, van Lissewege vertrokken naar Oostende en van daar naar ‘t IJzergebied, alwaar zij de aanvallen van de Duitsers ondergingen, en weerhielden, tot dat zij in zegenrijken tegenaanval zoals de Fransen, Engelsen, Amerikanen, enz. weder over de IJzer kwamen om België vrij te maken: in deze zegetocht vertoonden zich de eerste Belgische patrouilles in Lissewege op 19.10.1918.

Duitse troepen hadden gedurende dezen vierjarigen oorlog inquartiering genomen in de huizen en de scholen van Lissewege, omtrent gestadig van 300 tot 600 mannen, gewoonlijk van 23.10.1914 tot 18.10.1918, ‘s avonds. Na hunnen aftocht die ene ware, doch voorzichtige vlucht was, deden zij de bruggen springen van aan Zeebrugge tot aan de haven van Brugge en aan de Oostendse vaart, om niet te snel te kunnen achtervolgd worden door hunne vijanden.

(Het verwondert ons dat de pastoor het hier niet heeft over het "wegdrijven" van de weerbare mannen onder de burgers, noch van het opeisen der paarden. Zo werd mijn vader samen met Edmond Desmedt en nog anderen voor de terugtrekkende Duitsers opgedreven. Zij kwamen tot Eksaarde en konden daar ontsnappen). (Zie hierover dr. Jos De Smet in Rond de Poldertorens I, nr. 4, p 12)

De Duitse troepen die in Lissewege lagen, wisselden zich beurtelings bij compagnies of bataillons af, de enen van de Yzer of van de Somme of van elders komende, of daar naartoe geleid wordende, na 1 week of 1 maand; bij uitzondering waren sommigen korteren tijd, anderen langer. De eerste Duitse troepen die hier langst bleven waren flinke matrozen, die trachten de gunsten van de bevolking te winnen: tot in den zomer van 1915 was hier nog geen enkele boete opgelegd: ' t gevaar voor de zeden was daardoor bijzonderlijk voor de jonge dochters zoveel te grooter: groote losbandigheid scheen uit van de 8 eerste maanden inquartiering.

(Zo erg moet dit nu ook weer niet geweest zijn. Wij hebben ons oor te luisteren gelegd en konden slechts een geval laten aanwijzen, van een vrouw, die een kind had van een Duits soldaat. Wat ons echter verwondert is dat de pas­toor hier andermaal niets vermeldt over de verplichte controle op venerische ziekten van herbergiersters en hun dochters, iets wat bij de betrokkenen nogal wat kwabloed zette en aanleiding gaf tot het sluiten van een paar herbergen. )

Wat de vrijheid van godsdienst aangaat; deze scheen goed gehouden te wor­den de eerste jaren, maar van in 1917, kwam er verbod van hogere overheid, voor ons volk van in de kerk te blijven den zondag van kwart voor 7 (Belgische tijd). Dit verbod was niet regelmatig maar onregelmatig, omtrent alle 14 dagen, soms meer, soms min, en zo onvoorziens, dat het soms maar aan den pastoor kenbaar gemaakt werd, of van Zeebrugge tot hier afgekondigd den zaterdag in den vooravond. Den zondag nadien moest de late mis een uur vroeger gezongen worden dan naar gewoonte, dus om zes uur in den winter in plaats van om zeven uur. Natuurlijk kon er dien zondag van biechten geen spraken zijn en de mis kon maar door de helft der mensen, die gewoonlijk in de vroegmis tegenwoordig waren, bijgewoond zijn; dat begrijpt men te beter als men denkt dat wij hier de Duitse uur moesten volgen; en ‘s winters als 't 8 u. was, was ‘t voorafgaandelijk in Belgisch 7 u. en ‘s zomers als 't 8 u. was, was 't voorafgaandelijk in Belgisch 6 u.

Zonder reden te zeggen noch aan hun, noch aan den E.H. Pastoor werd den E.H. Onderpastoor Lagae op ’t einde van januari 1918, door de Duitse overheid verplicht Lissewege te verlaten en naar Brussel te gaan verblijven. Enkel nadat Zeebrugge-kerk ingestort was door een vliegbom en dat E.H. pastor Bou­quet met algemeenheid zijner parochianen vandaar wegging, wier het toegestaan, dat E.H. Lagae voor den tijd van zijne afwezigheid mocht vervangen worden. Dit duurde tot den wapenstilstand van 11 9bre 1918. (Een ander hand schreef bij: Hij werd vervangen door E.H. Gheerebaert, die nadien naar Leuven gezonden werd en later leraar werd in het St. Lodewijkcollege.)

Tot hier het Liber Memorialis. Er blijven echter nog talrijke vragen en onopgeloste raadsels i.v.m. deze oorlog. Als kind hoorde iedereen wel eens toespelingen op feiten en gebeurtenissen. Daar niemand ze ooit openbaar heeft durven maken of erover publiceren, zullen ze wel de grijsheid van het verleden ingaan. Wie hoorde niet allusie maken op de "Spitsenschüle", op getrukeerde en compromitterende foto's? Wie dergelijke dingen wel weet, doet er best aan ze op te schrijven. Ze moeten niet noodzakelijk (best niet!) gepubliceerd worden, tenzij een honderdtal jaren na de dood van alle betrokkenen.

Zo beschikken we momenteel over de Memoires van onderpastoor P. Caullet (1875-1889) die ons heel pittoreske en pittige details meedeelt over de politieke strubbelingen en de schooltijd van 1870 te Lissewege.

Dit is echter voor binnen een paar jaar.

Mededelingen: 1. Oorlog 14-18 te Lisseweghe in het Liber Memorialis

Johan Ballegeer

Rond de poldertorens
1972
03
096-098
Ludo Sterkens
2023-06-19 14:44:32