Octrooi voor het bouwen van een Korenwindmolen te Dudzele anno 1658

Germain Vandepitte

Louys De Blaesere, Ridder van Idewalle, Watergraaf en Moermeester van Vlaanderen, verleent octrooi ofte toelating aan Lieven Saman om een korenwindmolen op te richten in de parochie Dudzele. Hij schenkt dit oc­trooi uit kracht van zijn ambt als watergraaf, ter bevordering van de domeinen van de Koning-Graaf van Vlaanderen, na de drie voorgeschreven kerkgeboden (afroeping 's zondags na de mis, van op de kerkstegel te Dudzele) en na gunstig advies door de President en de Leden van de Rekenkamer van Rijsel (een soort ministerie van Financiën).

Die molen mag gerecht worden op een molenwal die behoort aan de Prins van Chimay, Heer van Dudzele. Saman mag er mede "breken en malen" alle soorten van granen en mouten, zowel voor de inwoners van Dudzele als voor de omliggende plaatsen. Daarvoor moet hijzelf, zijn erfgenamen, of zij die mede de molen bedrijven, jaarlijks 16 pond parisis betalen aan de Watergraaf van Vlaanderen. Die cijns zal duren zolang de molen zal malen "ende den staecke van diere rechte staen sal".

Als de molen verandert van eigenaar door verkoop, erfenis of hoe ook, moet de nieuwe eigenaar één keer dubbele cijns betalen, plus vijf schellingen parisis registratierecht "van de naeme te verstellen". De gewone jaarlijkse cijns zal ingaan op de eerste dag dat de molen zal malen. En een authentieke kopie van het octrooi moet aan de "Watergravie" bezorgd worden.

Er is ook de uitdrukkelijke voorwaarde dat, moest later blijken dat deze molen schadelijk is voor de belangen van de Vorst of voor die van de gemeenschap, dat dus Lieven Saman en zijn opvolgers verplicht zullen zijn de molen af te breken, zonder daarvoor enige schadeloosstelling te kunnen eisen van de Koning. Maar zij zullen ontslagen worden van de jaarlijkse cijns. Moest er hierover geschil ontstaan, dan is alleen en uitsluitend in de zaak bevoegd de Rekenkamer van Rijsel.

Aan het oorspronkelijk charter hangt de zegel van Louys De Blaesere en het is door hem ondertekend op 18 maart 1658.

Nadat hij bevonden heeft dat de duplicaat overeenstemt met het origineel, heeft P, Eelinga Zuijdelijnde, erfachtig Watergraaf en Moermeester, Groot Zwaanier van Vlaanderen, de kopie gezegeld en ondertekend op 20 juli 1685.

Wij kennen geen ander gepubliceerd octrooi voor het bouwen van een windmolen in het hoorden van Brugge. Daarom geven wij dit afschrift in oorspronkelijke vorm, als bijlage.

Voor onze lezers die niet gewoon zijn met oudere teksten om te springen, willen we een paar verklarende nota’s toevoegen. Er komen twee soorten afkortingen voor in onze tekst. Ten eerste, een schreefje boven het woord. Zoals Mourmre, d.i. moermeester. Moeren zijn turfontginningen. De heer Eelinga bv. was Watergraaf, Moermeester en Groot Zwaanier (vergelijk met Groot Valkenier) van Vlaanderen. In 1600 waren deze feodale bedieningen geen eigenlijk ambt meer, maar ze brachten een aardig centje op, zoals hier b.v. 16 pond parisis per jaar, waarvan weliswaar een deel in de staatskas, de Rekenkamer van Rijsel, terecht kwam. De Watergraaf had dus blijkbaar niet alleen fiscaal toezicht op het waterrecht, maar ook het windrecht van de Graaf van Vlaanderen (misschien nog uit de tijd dat er alleen watermolens bestonden en in de 13e eeuw windmolens bijkwamen).

Verdere streepjes-afkortingen: Vlaen = Vlaenderen; pten Lren = patente letteren, hier oktrooibrief; van = vande, vanden of vander; ome = omme; voorn = voornoemde, d.i. hierboven vernoemd. Een tweede groep afkortingen vinden wij meer "gebruikelijk": b.v. C° Mat = Coninclicke Majesteyt; behoorel. = behoorelicke; sijl. = sijlieden = zij e.d.; voors = voorseyde of voorscrevene = hierboven vermeld; ponden paris. (ook schell pis)= ponden parisis.

Eén pond, was gelijk 20 schellingen, één schelling was 12 dealers of penningen. In onze tekst staat: "sesthien ponden paris. van XX gr." Als we weten dat een pond groten of een Vlaamse pond twaalfmaal groter was dan een Parijse pond, dan verstaan we dat 1 grote of Vlaamse penning gelijk was aan 1 schelling parisis; dus 20 Vl.gr. was zoveel als 1 pond par.

Als we goed de tekst begrijpen, moest er bij verkoop of erfenis van de molen een kopie van het octrooi gedeponeerd worden op de watergrafie. Hebben we hier soms, 27 jaar na het verlenen van het octrooi, te doen met een dergelijke "copie authenticque"?

De molen waarvan sprake, mocht opgericht worden op "sekeren meulenwal competerende den prince van Simay", Heer van Dudzele. Als we weten dat de grond waarop de Grote Molen (Dorps- of Westmolen) stond, de Heer van Dudzele toebehoorde. Als we weten dat de Oostmolenwal de Heren van Dudzele eveneens toebehoorde; en dat de grond waarop de Pannemolen opgericht werd eveneens van de Heren van Dudzele was, dan kunnen wij ons afvragen welke molen het mag geweest zijn. Eén ding: naar ons beste weten stond er in 1600 een molen noch op de Rijselmolenwal, noch op de Berchmolenwal of de Dullemolenwal.

De enige aanwijzing is hier dat het octrooi werd verleend aan Lieven Saman. Maar wie was die Lieven? Was het een particulier of een molenaar?

Op zoek naar deze Lieven vonden we een staat van goed en dankten reeds de hemel. Helaas, toen het ons gebracht werd, was het triestig om zien: één enkel blaadje, de rest spoorloos. Uit de inhoud van de tekst: "actum 4/3/1680 (?) present d’Heeren Schepenen. . . copareerden Jacob Vermeulen ghetrauwt met Magdaleenen Willaerts te vooren weduwe van Wouter De Jonghe fs Wouter, voogd van Diederijck oudt 8 jaer en Cornelie 13 jaer, de kynderen van Jacques fs Lieven Saman ter prochie van Wenduyne, die hij had binnen huwelijck met Petronella De Jonghe fa Wouter overledon ter selver prochie acht maenden daernaer".

Daar stonden we. Gelukkig vonden we de staat van goed van deze Jac­ques fs Lieven. "... doende Joos Vermeuien fs Maerten, gehuwd met Magdaleene Willaert fa Jan voogd van Jacob, Didrijck ende Cornelia de drie kinderen van Jacques Saman fs Lieven bij Petronelle De Jonghe fa Wouter dochter van de zelve Magdaleene Willaert, die zij gehad heeft bij de voorzeide Wouter De Jonghe haren eersten man, waervan Jacob is overleden omtrent een jaar na zijn moeder in de maand meye..."

Wat ons hier het meest interesseert is dat Jacques molenaar was te Wenduine. Ook hij was proostlaat. Verder werd een Gillis Vervake vernoemd uit Dudzele, die gehuwd was met Schijnken Deneve rechtsweert van Petronelle De Jonghe, zodat we gerust mogen stellen dat het hier om dezelfde familie Saman gaat, dat het molenaars waren en dat deze Lieven het octrooi kreeg.

Verder blijven het nobele onbekenden. Nazicht van de parochieregister Dudzele geeft ons geen overlijden van een Lieven Saman. Met tijd en boterhammen vinden we wel iets terzake.

Bronnen

Rijksarchief. Brugge; Familiefonds I nr. 138, vergunning bouw molen

St. v. goed, 4e reeks nr. 989, Saman Lieven St. v. goed, 3e reeks nr. 2409s Saeman Jacques.

Bijlage: afschrift oorkonde op perkament

Ick Louys De Blaesere Ruddere van Idewaele etc, Raedt Watergrave ende Mourmre sConincx van Castillien, Leon, Arragon etc, Grave van Vlaen etc, ende dat van sijne Lande ende graefschepe van Vlaen doe te weten, alle de gonne die dese pten lren sullen sien ofte hooren leesen dat ick in qualiteyt als boven uyt crachte van mijne commissie, omme d’augmentatie vande domeynen sConincx ons geduchs heere, naer behoorel. kerckgeboden, danof alvooren gedaen; ende bij advise an mijn heeren den president ende luyden van rekenijneamer van de Co Mat tot rijsel, hebbe geconsenteert ende geoctroyeert, consentere, ende octroijere bij desen aen Lieven Saman op te moghen rechten ende erigeren, eenen Coorenwindtmeulen, binnen de prochie van dudzele, landen van Vryen op sekeren meulenwal competerende den prince van Simay, ome mette selve te breken, ende maelen alle sorten van graenen ende mouten, soo tsynen behoeve, van insetene der selver prochie, als ander circumvoisine plaetsen, mits bij hem, syn hoirs, ende naercommers, ofte de gonne syn actie hebbende, alsoo lange den selven meulen maelen ende den staeck van diere rechte staen sal, jaerel. betaelende in den ontfanck van de watergraeve van Vlaen in bekentenisse van lien de somne van sesthien ponden paris. van XX gr. tpondt, ende als den selven meulen veranderen sal, bij coope, versterfte ofte andersins, soo wort den gonne daertoe commende gehauden te betaelen dobbelen cheyns eens, mitsgrs (mitsgaeders) aenden ontfangere vande watergravie van de naeme te verstellen vijf schell. pis, welcken cheyns ende jaerelicksche recognoissance sal ingaen van eersten dagh dat den selven meulen sal hebben gedraeyt ende heeft gemaelen, mitsgr. copie authenticque van desen Octroye ome danof in syne rekenijn ontfanck te maecken, ende dat op expresse conditie, dat indien naemals beonden wierde den selven coorenwindtmeulen schaedel. te wesen syn voorn Mat ofte den gemeenen sal den voorn Lieven Saman, sijn hoirs, ende naercommers ofte de gonne syn actie hebbende gehauden weesen den selven te weeren ende domolieren (sic), sonder ter dier causen eenigte schaede, ofte interesten te moghen presenteren tot laste van de voorse Mat behaudens dat van dan voorts sijl. ontslegen sullen syn vande vermelde recognoissance, ende bij soo verre hieromme geschil quaeme sal danof de kenisse competeren myn heeren vande rekenyncamer, of finaneien alleene, ende privative. in kennisse der waerheyt, soo hebbe ick watergrave voorn dese geteeckent, ende gesegelt, met mijnen zegel ordinaire den xviij martij 1658 wast ondt Louys de blasere, ende gesegelt met eenen zegel gedruckt in rooden wasse:

Wy Raedt sConincx Erfachtigh Watergrave ende Mourmre Groot Swaenier van Vlaen hebben dese duplicata bevonden t'accorderen, met Syn Original, ende gesegelt met onsen zegel ordinaire den xx iuly xvjc vyf entachtentigh (sic)

  1. Eelinga Zuijdelijnde

 Nota : Groot Swaenier

In princiep behoorde het visrecht en het jachtrecht over geheel het grondgebied van het graafschap aan de Graaf van Vlaanderen. Dit recht werd, waar hier waar daar, in leen gegeven. De zwanenjacht (en zwanen-kweek) in de broeken en op de vijvers was een onderdeel van het jachtrecht.

Sommige plaatselijke Heren bezaten zwaberie recht, o.a., de Heren van Oostkerke, van Boonem, van Moerkerke, van Assebroek, van Snellegem, van Tillegem. Zwanen kweken in kasteelgrachten en vijvers was een feodaal voorrecht, zoals het een feodaal recht was duiven te kweken.

Oorspronkelijk zal de Groot Zwaanier in feite het toezicht hebben gehad op de zwanedriften in het Graafschap. Maar rond 1650 was dit reeds een ereambt, dat wat geld opbracht.

Dat zelfs in de 17e eeuw de Graaf aan zijn zwanenrecht hield, bewijst het voorschrift van 31 oogst 1631: ..."Verbieden oick eenighelyck te schieten, oft in eenigher manieren te stooren de swaenen die vergaederen in plaetsen daer toe by ons ende onse voersaeten geordineert, diemen noempt Swaenen-driften..." (Zie, Cout. Buurg de Bruges, deel II, p. 408). Zwanendrift betekent: kudde zwanen vergelijk met "een drift ganzen".

Het gaat hier blijkbaar ook om wilde zwanen die, zoals nog heden ten dage, maar toen veel regelmatiger en veel talrijker, vooral gedurende de trek, neerstreken op plassen en kreken.

Oktrooi voor het bouwen van een Korenwindmolen te Dudzele anno 1658

Germain Vandepitte

Rond de poldertorens
1973
04
115-119
Ludo Sterkens
2023-06-19 14:41:38