Smokkel op de Vlaams-Zeeuwse Grens in 1790-1791

Dr. Jos De Smet

Sedert 1604 ligt de streek van de St.-Guthagokring op de Zeeuws-Vlaamse grens. Zoals de andere dorpen in een grensgebied, kenden onze grensgemeenten ook smokkel.

In enkele portefeuilles van de Vierschaar van het Brugse Vrije uit de jaren 1790 en 1791, vond ik stukken over drie smokkelzaken te Westkapelle, te Knokke en te Middelburg.

In 1790 was de uitvoer van graan uit de Oostenrijkse Nederlanden, waartoe wij toen behoorden, verboden naar het buitenland. En om dit verbod te doen eerbiedigen, was langs de grens een “cordon" van wachten opgesteld. Dat waren geen echte douaniers, maar mannen in dienst genomen door een persoon, die door de overheid was belast met het toezicht over een deel van de landsgrens.

Te Westkapelle

In februari 1790 werd te Vlestkapelle graan op grote schaal naar Nederland of Statengebied gesmokkeld.

De wacht van het Hazegras kon op 11 februari een “spion” aanhouden, namelijk de 18-jarige Joannes de Smit, knecht bij landbouwer Niklaas Massé te Westkapelle. Op 10 februari hadden de smokkelaars hem belast te gaan zien “of den wegh naer de prochie van st. Anna, emmers naer Staeten gebied, zuyver was, of er geen wagten waeren”. Die weg naar St.-Anna is de Greveningedijk van Schapenbrugge naar St-Annadorp; of misschien de Nachtegalestraat van Hoeke-molen recht naar ter Muiden. De huidige baan is maar van 1817.

Het hoofd van de blauwers was de 36-jarige Fortunatus Schramme, arbeider te Westkapelle. De cordonwachters hadden reeds zeventien nachten gewaakt, om dat zij wisten dat er 50 hoed of 85,75 HL. graan naar het Statengebied zouden overgesmokkeld. worden. Nadat de spion in de nacht was aangehouden, konden de smokkelaars dit graan om 22 uur overdragen naar het huis van Mattheus de Bruyne, die woonde op Nederlands gebied. Het graan lag gereed in een aftrek van de schuur van landbouwer Niklaas Massé. Het werd overgedragen door Joannes Fromont, Bernard Claeys 30 jaar, Livinus Culac 40 jaar, Guillielmus Gauweloose 27 jaar, Pieter Verwée 39 jaar en Joseph Vermaut 35 jaar, allen arbeiders te Westkapelle, alsook door Frans Verlinde 18 jaar, paardeknecht.

Na het afleveren van het graan op Nederlands gebied werden de smokkelaars aldaar betaald door Fortunatus Schramme.

Het onderzoek wees uit dat er 39 zakken graan waren overgesmokkeld, Waar voor Schramme een boete van 150 gulden moest betalen op het douanekantoor te Hoeke. De spion Joannes de Smit werd veroordeeld tot een boete van 50 gulden, die hij echter niet kon betalen.

Het verslag opgemaakt door de wacht van het Hazegras, vroeg dat men “den fameusen Fortunatus Schram conde eenen dans doen leeren, vermits hij door sijne brutaliteyten, spotten met de wagt, ende niet anders en meriteert als vervolgt te worden”. En het hoofd van de wacht op het Hazegras, Philippe van Cuyl schreef naar schepen Poorter van het Vrije, dat hij hoopte dat de schepenen van het Vrije bevel zouden geven “dat desen fameusen opcooper ende capitain ende chef van de blauwers soude geligt (aangehouden) worden, hetwelcke alhier een geheele rust soude sijn ende de andere boeren soude eene peur (schrik) bij brengen dat sij het niet meer en souden durven bestaen” (1).

Te Knokke

Ook te Knokke werd graan gesmokkeld. En hier zien we hoe de “cordon” of grenswacht was ingericht.

Langs de grens tussen het Hazgras en Middelburg was Jan Lefevere “belast met de surveillantie van den cordon tot voorkomen den frauduleusen uytvoer der graenen naer Staeten bodem”. Het hoofd van de dienst op het Hazegras, voor de sectie tussen de zee en de Nachtegaal, was de “geëmploieerde” Philippe van Cuyl uit Brugge. Hij had als ‘ondegeëmploieerden” Joseph Cumyns 50 jaar, een geboren Engelsman die te Brugge woonde, Judocus De Keersgieter 27 jaar uit Brugge, Pieter Cossé 39 jaar uit Lichtervelde en wonende te Damme, alsook nog Sarlet en Naessens.

Op 16 maart 1790 waren van Cuyl, Cumyn, Sarlet en Naessens op patrouille tegen de graansmokkel. ‘s Nachts ontmoetten ze Frans Maes, die genever overgesmokkeld had uit Nederland en die hun vroeg allen samen een glaasje te komen drinken. Waarschijnlijk in “Het Vliegende Peerd”, een herbergje op de Greveningedijk bij de kruising met de Cantelmolinie. De patrouille was echter overtuigd dat Maes bezig was met graan te blauwen en dat hij kwam zien of de weg vrij was. De patrouille trok verder (langs de Cantelmolinie) naar de hofstede van de hoofdman van Westkapelle, Plasschaert (waar nu de vuilnisbelt van Knokke ligt). Tussen 3 en 4 uur ‘smorgens kwamen daar vijf personen aan, geladen met zakken graan. Bij de ontmoeting met de patrouille lieten zij hun zakken vallen en sloegen op de vlucht.

De patrouille wilde deze zakken wegdragen, toen het hondje van de blauwer Maes aldaar kwam bassen. Een van de wachters vroeg of men het hondje niet zou doodschieten. Maar Maes kwam te voorschijn en riep: “wat soude gij schieten, ik en ben nog blauwer nog dief, ik ben op een vrije wegh”. Van Cuyl antwoordde: “jae, ik sal uwen hont om verre schieten, ende uw daerbij als ‘t noot doet”. Er kwamen nog vier of vijf personen bij die de zakken wilden afnemen.

Waarop van Cuyl beval de zakken neer te leggen en: “neemt elk syne geweiren”!

De smokkelaars sloegen op de vlucht en het graan werd overgebracht naar het hazegras.

Het hoofd van de blauwers was Michiel Vlaminck “synde eenen landsman met peert”. Hij werd bijgestaan door Frans Maes “fraudeur van professie, die by daege genever fraudeert ende by nagt graen overdraegt”. Hielpen nog mede: Pieter Houzaer, Pieter de Camp, Simoen Goethals en Frans Boullion, samen met de gebroeders Modestus en Jacobus de Wagter. Deze laatsten bekenden dat zij smokkelden voor Vlaminck “om eene dagheure voor vrauw en kinderen te winnen”.

Het graan hadden ze gehaald uit den “byvang” van de hofstede van de hoofdman van Knokke, Sebastiaen Nachtegaele.(D.i. de hoeve Vijfhuuse waar nu J. Stroo woont.) Drie van de aangeslagene zakken waren getekend “S.Naghtergaele”, de vierde zak droeg de letters “K.S.N.C.”, de vijfde zak was niet gemerkt.

Na het verlies van hun zakken gingen de blauwers aan het drinken. ‘s Middags, tussen 12 en 13 uur, was Constantin Thiel, “officier” of veldwachter van de heerlijkheid van het Proostse en het Kanunnikse van St-Donaas, en wonende te Westkapelle, door de plaatselijk hoofdman belast “boerenpatrouille” te doen rond het Hazegras en de herberg “Het Vliegende Peerd”. Hij was vergezeld van de 54-jarige Arnout Van Nieuwkercke, arbeider. Beiden waren gewapend met een geweer, en als teken van zijn ambt droeg Thiel “de bandouliere met het waepen van den selven Proosschen”, dus met het wapenschild van het Proostse. Ze wilden “Het Vliegende Peerd” binnengaan, maar ze werden er door de vijf blauwers buitengejaagd, omdat deze vreesden dat ze hen kwamen aanhouden wegens het smokkelen van graan.

De smokke laars hadden daar ieder een stoop bier en een half glas genever gedronken op de kosten van Vlaemynck, maar deze weigerde een gebroken glas te betalen. Marie Wattyn, de vrouw van de weerd Jan De Tilly, die zwanger was, werd tweemaal tegen de grond geslagen omdat ze de betaling eiste van het glas.

Later passeerden aldaar nog twee souvereinsgasten of gendarmes, nl. Pieter Baron en Jan Welvaert, die in de grensstreek patrouilleerden, Zij werden door de blauwers op scheldwoorden onthaald.

Een van de cordonwachters, Judocus De Keersgieter, kwam ‘s namiddags voorbij “Het Vliegende Peerd”. De blauwers vroegen hem of hij een glaasje wilde drinken. Hij ging voorbij en zag dat een van de smokkelaars een sabel bij zich had. Zij achtervolgden hem en hij vluchtte (langs de Cantelmolinie) naar de Nachtegale, waar hij de patrouille vond.

De cordonwachter Cumyng wilde in de namiddag een glas gaan drinken in de kantiene van Ameele, op Statengehied. Daar zaten nu de blauwers. Bij zijn binnentreden riepen ze: “t Is een dief van den keyser, slaet hem maer doodt!” en ze overvielen hem. Cumyng trok zijn sabel om te slaan, maar hij haperde in de deur. Zijn sabel was heel gekromd. Zwaar gekwetst kon hij langs achter vluchten.

Later in de namiddag moest Van Cuyl, hoofd van de grenswachters, naar Sluis, “om te invigileren op het steken van de wateren”, om de afwatering na te gaan, zoals dit voorzien was in het Verdrag van Fonainebleau van 9 november 1785. Van hem zegden de blauwers: “soo den dicken komt, wy sullen hem stampen de dermen uijt sijn gat”. Hij ging echter niet binnen, maar belaste zijn ondergeschikte, de grenswachter Cossée, in de katien het geweer en de sabel van zijn chef te stellen totdat deze uit Sluis terugkeerde. Evenals Cumyng, werd Cossée zwaar geslagen en gestampt, terwijl hij op de grond lag. Vlaemynck bleef op zijn stoel zitten en zong voortdurend: “Heeft hij het verdient, slaeght hem maer doodt!”.

Hoe de zaak verder afgelopen is, kon ik niet vinden (2).

Te Middelburg

Het volgende jaar, op zaterdagavond 6 augustus 1791, kwamen Nederlandse soldaten uit Sluis te Middelburg in botsing met Oostenrijkse douaniers, die wilden beletten dat deze soldaten grote hoeveelheden brood uit Middelburg naar Sluis overbrachten, en dit ingevolge het verbod van graan uit te voeren naar het buitenland. Daardoor kostte het brood goedkoper bij ons dan in Nederland.

Sedert jaren kwamen ongewapende Nederlandse soldaten uit Sluis en uit andere grensvestingen naar Middelburg-Vlaanderen om brood, vlees en andere waren te kopen, waardoor de handel aldaar bloeide. Waarschijnlijk wilde de Oostenrijkse overheid deze uitvoer van levensmiddelen beletten, want einde juli, in een herberg te Middelburg, had de brigadier van het douanekantoor aldaar, aan de Nederlandse sergeant Hartman gevraagd dat de soldaten met hun brood niet meer zouden passeren langs het douanekantoor, maar een andere weg zouden nemen langs het schorre. De soldaten volgden deze raad, maar op de avond van 6 aug., wanneer een achttal Nederlandse soldaten langs de schorreweg naar Sluis terugkeerden, geladen met zakken brood, werd dit brood hun afgenomen door de douaniers.

De douanebrigade van Middelburg,die bestond uit vier man, had versterking ontvangen van drie man van de brigade van Moerkerke. Brigadier Horion van Moerkerke had met twee man post gevat in de schorreweg, twee andere douaniers aan de barriere van dezelfde weg bij de grens, en twee andere hadden zich verscholen in een bonenstuk dichter bij de stad “om alsoo te waecken besonderlyck op de groote fraude van het graan”.

Deze avond waren bij vleeshouwer Francis De Vysebouckt te Middelburg een achttal Nederlandse soldaten, waaronder sergeant Hartman, in de winkel gekomen om brood. Ze kochten 38 roggebroden van 15 oortjes het stuk; 8 van 5 1/2 stuivers, enkele tarwe- en gezifte broden, samen voor 14 à 15 gulden. Rond 20 uur zijn ze met dit brood vertrokken langs het schorre, Om niet te moeten passeren voorbij het douanekantoor. Op de schorreweg riepen de douaniers “arrête” en ze namen het brood af van de soldaten. Deze keerden terug naar Middelburg en vroegen hun geld terug in de winkel. Dit werd hun geweigerd. Te Middelburg liep veel volk samen, dat aan de soldaten de raad gaf naar de kommiezen te gaan en ieder één zak brood weg te nemen, want de douaniers mochten toch niet schieten. Ondertussen waren deze laasten vruchteloos op zoek gegaan naar kar en paard om de zakken brood te voeren naar het douanekantoor.

Rond 20.30 uur kwamen François Hensbout, koopman in brood, samen met de Nederlandse sergeant Hartman, bij de douaniers om het brood terug te kopen. De douaniers weigerden. Rond 22 uur zijn de acht Nederlandse soldaten, gewapend met stokken, teruggekeerd. Ze vielen de douaniers aan, die drie schoten losten.

Hun geweren waren geladen met gehakt lood of schroot. Twee Nederlandse soldaten werden zwaar gekwetst door de schoten, maar de soldaten hadden brigadier Horion dodelijk geslagen. De twee gekwetste militairen, waarvan er een eerst verbonden was door de chirurgijn van Middelburg, werden door hun makkers naar Sluis gedragen. Zij kwamen die stad binnen de volgende morgen bij het openen van de poorten.

Na het lossen van de schoten waren de douaniers gevlucht. Later vond men de dodelijk gekwetste brigadier Horion, die naar Middelburg werd overgebracht waar hij eerst de H. Olie ontving. Rond 2 uur 's morgens liet de baljuw van Middelburg de chirurgijn ontbieden om Horion te verzorgen. Tegen de morgen overleed de brigadier.

Wanneer de koopman Hensbout voor de balhuw geroepen werd om onderhoordt te worden over het gevecht, waarvan hij getuige was geweest en waarbij hij een kogel in zijn “kazakke” had gekregen, verdween hij. Volgens zijn vrouw was hij gevlucht omdat “haeren man reets thien jaeren ten onrechte was gecolloqueert geweest in het provinciael correctiehuys te Gent, en dat hij daer niet voorder en wilde worden gevoert”. hij bleef weg.

Later, in de loop van de maand september, werden de soldaten, die in deze smokkelzaak betrokken waren, onderhoord te Sluis door de krijgsraad van de vesting aldaar. Geen enkele verklaarde dat hij de douaniers had aangevallen.

Allen waren eenvoudig gaan wandelen naar Middelburg waar, sedert de Brabantse Omwenteling (van dec. 1789 tot dec. 1790), de Nederlandse militairen vrij mochten binnenkomen.

Volgens het eindverslag opgemaakt door de magistraat van het Brugse Vrije was deze vechtpartij gebeurd op Oostenrijks grondgebied, op 150 roeden of 576 meter van de grens. De militairen hadden de grens niet geschonden. Het ging alleen maar om smokkelen van brood. En tot slot liet het Brugse Vrije opmerken dat er in het land grote voorraden graan aanwezig waren, en dat het meel wel mocht uitgevoerd worden, maar niet het graan noch het brood (3).

Bronnen:

  1. Rijksarchief te Brugge, Brugse Vrije, Gerechtsakten uit de Oostenrijkse tijd. Portefeuille n° 166 1790.
  2. Ibidem, Portef. no 109 1790.
  3. Ibidem, Portef. no 110 1791.

Smokkel op de Vlaams-Zeeuwse Grens in 1790-1791

Jos De Smet

Rond de poldertorens
1971
01
027-032
Eddy De Baere
2023-06-19 14:41:38