De Verdediging van de Kust van Noord-Vlaanderen vanaf 1300 (VII) (6e vervolg)

Lic. Maurits Coornaert

Vervolg van:

14. De Periode vóór de Godsdienstberoerten

Ook in 1551 kruisten Franse, Schotse en andere zeerovers op de Noorzee en het Kanaal. Om die reden gaf Keizer Karel V in augustus het bevel “van ter haryncvaert niet te moghen varene” voordat er konvooischepen uitgerust waren.

De vissers, die zich reeds klaar maakten voor het naderende haringseizoen, zagen zich in hun broodwinning bedreigd. Om die reden wendden ze zich op 30 aug. tot het schepenkollege van het Brugse Vrije.

Op 24 september vroeg de Heer van Beveren, “admirael van der zee”, aan het Vrije hoe het stond met de kustwacht. Het kollege antwoordde dat zoiets niet georganizeerd werd zonder het uitdrukkelijk bevel van de koning of van de goeverneur, en “sonder daerof eerst een generael ghebot te doene ten hende dat de zeesteden, binden Vrye staende, van ghelycken deden, ende dat alzo de steden ende tlant met elcander verstant hadden”. Goeverneur de Reulx ordonneerde op 2 oktober de kustwacht. Een schepen van het Brugse Vrije werd uitgestuurd om in iedere sektor een hoofdman van de wacht aan te stellen (2).

De kustvisserij van de kleine zeegemeenten had dringend behoefte aan bescherming. Hun afgevaardigden verzochten op 24 oktober het Vrije om “II schepen van oorloghe upde costen van Vlaenderen, ter bewaerenesse vande cleene visscherië van de voornoemde stede, Wendune ende Heyst, die hemlieden daermede gheneeren”. Dit verzoek werd aan de Vier Leden overgemaakt. Daarnaast wensten de Blankenbergse vissers hun schuiten met geschot te bewapenen. Het Vrije zou aan de Heer van Eke, bevelhebber te Vere, de stukken artillerie terugvragen, die hij geleend had om ze in Zeeland op zijn schepen te gebruiken (3).

De grote zeesteden, Oostende, Nieuwpoort en Duinkerke, kwamen op 21 november naar Brugge om over de toestand ter zee te spreken. De Keizer had op 31 augustus een belasting van 1 gulden per last haring gesteld om konvooische- pen te doen uitrusten. Daar het haringseizoen voor de deur stond, hadden de vissers niet kunnen wachten totdat de bedoelde schepen klaar waren. En de zeesteden wilden van dergelijk “lastghelt” vrij blijven (4).

Met dit geld waren in december 1551 een paar konvooischepen gereed geraakt. Daar ze de Vlaamse haringvaarders niet meer konden helpen, vroegen de Vier Leden van Vlaanderen in januari 1552 aan de Keizer “dat de scepen van oorloghe, alsnu upghestelt, zouden ghezonden worden ten vonvoye vande vlote vande Spaingnaarden, die ghereet es omme de wulle over te brynghene in Vlaenren” (5).

De oorlog tegen Frankrijk eiste niet alleen de bescherming van de vissersboten en van de handelsvaarders, maar ook een gedurige waakzaamheid op de kust.

Willem de Blickere, hoofdman van Camerlincx Ambacht, had vanaf 10 oktober 1551 zes man staan “upde zeecosten to Walravesyde”, en C. Constantie, stelde in dezelfde periode twee man “lancx de dunen” te Heist (6).

Vanaf 26 februari 1552 maakte het Brugse Vrije de mobilizatie van de kustbewoners algemeen. Het kollege vaardigde een “voorghebot” uit voor het geval “dat eeneghe hemlieden totter zelver wake niet voughen en wilden”. Het verdeelde de kust in sektoren, en het heeft de “plaetsen gheordonneert aldaer de inwuenende hem vynden zullen”. De wacht moest gehouden worden “zonder den cost vande lande” (7).

Op 4 maart bepaalden de schepenen de normen, volgens dewelke men de weerbare mannen zou aanduiden: “gheresolveert de disinieringhe te doene naer de oude costume, zonder de cnapen mede te disinieren, ende daer eeneghe wedewen zyn wel ghestaet dat die een man uutdoen omme te waken, ende zynder eeneghe niet souffisant ghenouch omme die last alleene te draghene, zal gheordonneert werden dat twee, drie of vier wedewen te saeme zullen een man te ghemeene coste ter waeke zenden” (8).

Vervolgens gingen de schepenen de wakers “disinieren”. Maar de hoofdmannen wisten niet goed hoe ze de zeewacht zouden organizeren. Toen trokken de schepenen, die “ghedisiniert hadden”, weer naar de kust om na te gaan ”waer de wakers gaen ende hoe verre, hoe veel prochien of ambachten te gaedere waken, wat oordene ghestelt es up de seingnen ende teekenen diemen toghen zoude, in dien de vianden up tlant commen wilden” (9).

Korte tijd later schreef de Keizer naar Brugge dat de Fransen het plan koesterden om in Vlaanderen of in Zeeland te landen. Hij spoorde aan tot scherpe waakzaamheid, en tot maatregelen tegen “zulcke abuusen van dronck drincken ende andersins, alsser in de wake zoude mueghen ghebueren”. De schepenen van het Brugse Vrije bespraken op 24 maart het nieuwe gevaar. Ze geloofden niet dat de plaatselijke bevolking bij machte was om een landingspoging af te slaan. Ze vroegen de Keizer “oorlochsvolck te voet of te peerde” (10).

Ook de Graaf van Reulx, goeverneur van Vlaanderen, vermaande het Vrije.

Daarop reden schepenen naar Camerlincx Ambacht om te zien welke diepe plaatsen er waren tussen Nieuwpoort en Raverside, waar de vijand aan land zou kunnen komen (11). Karel V stelde de Heer van Oignies, baljuw van het Brugse Vrije, aan tot “capitein upde oosten vander zee, lichtende XXIIII of XXV peerdevolck met bussen, rydende van Nieuport totter Sluus” (12).

Het schepenkollege van het Vrije liet Cornelis Muusman aan hun artillerie werken en zond vervolgens enkele stukken naar Blankenberge en Wenduine.

Ook de wakers van Kadzand beschikten in de winter 1551-52 over artillerie.

Daarnaast hebben ze stro “verbesicht upde thorre” (15). Het Vrije onderhield de wacht “in t eylant van Wulpen. Het stelde Joos Cannoye “als upperhooftman omme dezelve wake”. Deze kocht het nodige gerief voor zijn vier wakers: “een mast, een zeyl van canevets, zomeghe lanteernen, vierpannen”. Deze wacht op Wulpen werd, met kleine onderbrekingen, onderhouden tot 7 april 1554 (14).

Op 7 april 1552 kontroleerden schepenen van het Vrije de oostelijke Zwinmonding. Ze voeren naar “Cadzant totten quartiere ghenaempt ten Zwarten Ghate, omme te wetene wat devoir de inwonenden aldaer deden in thouden vander wake, ende voorts deden tinten, met piloten ende visschers der stede van der Sluus, de diepte daer omtrent gheleghen omme daerby te wetene of de vianden daeran in eeneghe plaetsen zouden moghen upslaen, zonder dangier van huerlieder schepen” (15).

Nadat de Heer van Oignies op 12 april gemeld had dat “twee vaentkins knechten” vanuit het binnenland in aantocht naar Nieuwpoort waren, schouwden schepenen van het Vrije op 18 april de kustwacht “in Wulpen, Breskinssandt, ter Nieuwer Havene ende in Gaternesse”. Ze vroegen de plaatselijke schippers waar “de diepten” lagen, “ten fyne dat de vianden niet en zouden aldaer met eeneghe scepen up commen ten lande” (16).

De goeverneur achtte de militaire maatregelen, die tot dusverre genomen waren, bijlange niet als voldoende. Er moesten fortifikaties gebouwd worden.

Omstreeks 1 mei stuurde hij een specialist in zake vestingswerken naar het eiland Kadzand, “omme aldaer te visiterne waermen best zoude mueghen een bollewerc maken ter preservatie vanden lande”. Het Vrije betaalde op 13 mei “eenen schildre ende eenen temmerman, van ghemaect thebbene diveersche patroonen van eenen bollewercke, gheadviseert te makene in Cadsant by laste ende ter presentie van mynen heere den gouverneur, grave van Reulx” (17). De laatst genoemde schouwde op 16 mei, samen met afgevaardigden van Brugge, het terrein van het geplande “bollewerck ieghens dinvasie vanden vianden” (18).

Op 25 juni 1552 publiceerde de Keizer een ordonnantie over de zeevaart.

Hij verklaarde dat hij “een groot getal van scepen van oorlogen ter zee” uit gerust had, omdat Franse zeerovers Vlaamse handelsschepen plunderden. Zijn vloot had veilig het Kanaal kunnen passeren, nl. “dye laeste vlote toegeougst in Zeelant ende westwaerts geseylt byder selver armee, vry ende veyiich gepasseert is”. Karel V verwachtte dat ook koopvaarders zouden pogen de Franse blokkade in het Kanaal door te breken. Hij verbood hen westwaarts te zeilen “ten zy met goeden bequamen convoyen ende met onsen oirlove ende consentie”(19)

Inmiddels werkte het Vrije voort aan de kustverdediging. De wachters van Kadzand kregen nog meer kanonnen om hun zwakste sektoren tegen landingspogingen te versterken. “Diversche sticken artillerie, den lande vanden Vryen toebehoorende”,werden te Brugge met de kraan op een schip geladen. De hoofdmannen van het eiland Kadzand namen het op zich om “de zelve engienen in Cadzant uut den scepe te lossene ende weder te vergaderne, ende de zelve te voerene tot binnen den dorpe aldaer” (20).

Toen naderde de oogsttijd. De kustwacht telde o.a. vele boeren en landwerklieden uit de ambachten, die aan de zee grensden. Het Vrije kwam voor hen tussen bij de goeverneur. Het vroeg “omme in desen bezeghen tyt vanden ougst te mueghe ghedeporteert zyn van te wakene, of emmers die minder zoude mueghen zyn dan die nu es, die ghedaen wert by dixainen” (21).

Vervolgens dachten de zeesteden aanhet naderende haringseizoen. Wegens de dreigende houding van de Franse zeerovers vonden de Vlaamse vissers dat ze door tenminste 6 oorlogsschepen moesten beschermd worden. Vanwaar het nodige geld halen? Een belasting van 5 sch. gr. per last verse haring, en van 8 sch. groten per last kaak.haring leggen! Heist en Raverside verklarden zich akkoord om te betalen, “behoudens dat zy mochten hebben vande zesse oorlochscepen een, dat ter Sluus met hemlieden zoude uutvaeren, ende als zy naer huus camen, dat eeneghe scepen hemlieden sdaechs zouden willen convoieren”.

Het Vrije raadpleegde dadelijk de stad Brugge. Het stadsbestuur antwoordde dat het “niet mueghelick en was een scip van oorloghe ter Sluus te zendene, omme de buusen aldaer te convoieren, ghemerct dat de Franscoysen tzelve zouden mueghen nemen, twelcke niet ghebueren en zal, als de scepen al by elcander zyn, nemaer zo wanneer de zeesteden ghereet zyn omme zeillen, zullen die vander Sluus adverteren” (22)

Karel V herhaalde zijn boven vermeld verbod op 19 december 1552, omdat er toch handelsschepen zonder konvooi westwaarts gevaren waren. Enkele ervan werden beroofd of gekaapt door de Fransen. Maar de schippers die de konvooivloot afgewacht hadden, waren zonder schade heen en terug gereisd (23). Anderzijds verklaarde de Regentes op 14 januari 1553, dat aen vloot van 23 handelsschepen, die lange tijd voor Teksel op het konvooi lag te wachten, op 27 december 1552 zonder begeleidende oorlogsbodems westwaarts gezeild was. Ze beveelde alle zeevarenden onmiddellijk naar de havens terug te keren, en daar te blijven totdat de konvooivloot helemaal klaar geraakte (24).

Brugge trachtte in de mate van het mogelijke, de zeevaant vóór het Zwin te beschermen. De stad, die in het voorjaar van 1550 artillerie en munitie geleverd had aan de Heer van Eke, bevelhebber van de vlootbazis te Vere, verlangde dit gerief terug te krijgen. “Pieter Sperrewaere, bewaerder vander artillerie deser stede” werd op 31 december 52 naar Vere gestuurd om de teruggave te bekomen “van zekere motale ende andere goede sticken artillerie ende minucie van oorloghe, die over twee of drie iaeren gheleent hadden gheweest ende gheleyt up scepen van oorloge inden dienst vander K.M.“ (25).

De oorlogstoestand op zee belette niet alleen de diepzeevisserij, maar ze hinderde ook de kustvangers. Afgevaardigden van Brugge, Blankenberge, Sluis en het Vrije reisden op 4 mei 1553 naar Brussel om bij het Landsbestuur “te solliciteerne provisie ende preservatie vander cleene visscherie van Vlaendren” (26). Ze vroegen dat ook de grotere zeesteden zouden meehelpen “ten fyne thebbene eene jachte ter zee, uutvarende ter Sluus ter beschermenesse van de cleene visscherie aldaer, metgaders van Blanekenbeghe, Heyst ende Wendune” (27). Het verzoek werd ingewilligd en neergeschreven in een brief gericht aan de drie grote zeesteden. Frans Vanderstraete, pensionaris van het Vrije, reisde op 16 mei met het dokument naar Nieuwpoort en hij heeft “aldaer die vanier wet vander Nyeupoort, Dunckercke ende Oosthende ghepresenteert zekere besloten brieve annegaende de preservatie vander voorseide cleene vissoherie   ” (28).

Na de vergadering te Nieuwpoort reden vertegenwoordigers van het Vrije, van Brugge en van de zeesteden op 23 mei naar Gent. De afgezanten luisterden eerst naar het plan dat de Heer van Eke “den ghedeputeerden van Vlaendren ende den zeesteden van dien, metgaders ooc die van Zeelandt zoude proponeren, nopende tconvoy vander grooter visscherie ende bewaerenesse van diere”. Daarna hebben het Vrije en Brugge “met hem metgaders den ghedeputeerden vanden drie zeesteden van Vlaendren, Nieupoort, Dunckercke ende Oosthende, ghecommuniquiert up de preservatie vander cleene visscherie van Sluus, Blanckenberghe ende Heyst” (29).

Als besluit van deze onderhandelingen gaf de Keizer op 30 mei een ordonnantie. Hij deelde mede dat hij aan de Heer van Beveren, admiraal-generaal, en aan de Heer van Eke opdracht gegeven had enkele oorlogsschepen uit te rusten om de haringvaarders te beschermen tegen de Franse kapers. Ondertussen mochten de vissers nog niet uitvaren (30).

Het plan van de Heer van Eke bevatte de bepaling dat de haringvissers 10 sch. gr. per last verse haring moesten bijdragen tot de uitrusting van de konvooischepen. Toen vroegen de grotere kuststeden aan het Vrije uitleg “over tupzetten van zeker lastghelt up den harinc, omme daermede te reedene scepen van oorloghen”. Ze maakten immers bezwaar tegen het feit dat zij de kleinere kustgemeenten Sluis, Blankenberge, Heist en Wenduine, moesten helpen beschermen (31).

In de eerste dagen van juni ging de discussie verder. Op 10 juni opperde het Vrije een ander plan: de Keizer zou in de Vlaamse havens enkele oorlogsschepen uitrusten, “stellende upde zelve scepen Vlaemsche capiteinen, scippers ende bootghezellen”. Tenslotte verklaarde het Vrije zich op 22 juni akkoord met het voorgestelde lastgeld, maar toen melde de Heer van Eke dat Holland weigerde te betalen (32).

Middelerwijl leverde Brugge het volgende aandeel in de bescherming van de kustvisserij. Het zond op 12 juli Jan Breydel, oppertoezichter van het stapelrecht te Sluis, “in Zeelandt omme te coopene een scip van oorloghe, dienende omme tuutreeden ende beschermen van cleene visscherie”. Bij deze gelegenheid bracht Jan Breydel de artillerie en de munitie van de stad uit Vere terug (33).

Nog steeds was geen middel in het zicht om de diskussie tussen de kustgemeenten in het reine te trekken. Op 21 juli kwamen de Heistse vissers plots met een zeer nuchter plan voor de dag, nl. dat ieder “vaeren mach up zyn plucht zonder eenich lastghelt te willen gheven”. De Heistenaren vonden geen gehoor.

Ondertussen hadden de zeesteden ingezien dat ze geen konvooischepen zouden krijgen, tenzij ze die zelf bekostigden. Op 12 augustus stelden ze toch een lastgeld voor. Heist en Raverside weigerden. Ze verklaarden dat ze in het vorige haringseizoen zichzelf geholpen hadden, “de oost ghedaen hebbende omine, volghende de consente vande K.M. te mueghen vaeren up huerlieder plucht ende aventuere, huerlieder scepen voorsien hebbende van artillerie” (34).

In 1554 staan we voor het eerst voor het feit dat het centrale landsbestuur openlijk en onvoorwaardelijk het Vlaamse zeevisserijbedrijf steunt. De Keizer stelde 5.000 gulden “ter preservatie vande cleene ende groote visscherie”. Het Vrije besprak op 6 september “de smaldeelynghe te doene tusschen de zeesteden int ooste ende de drie zeesteden int weste” (35). De genoemde som kon al heelwat kosten dekken, maar het Vrije stelde daarnaast toch nog een lastgeld, nl. 8 sch. gr. per last kaakharing, en 5 sch. gr. “up elck last veresche ende corfharynck” (36).

Ook in 1555 schonk het Centraal Bestuur een steun van 5.OOO gulden. Na onderhandelingen met de westelijke zeesteden, kregen de oostelijke kustgemeenten 1.500 gulden van cle gemene som. Met dit geld huurden Brugge en het Vrije “zekre scip van oorloghe” (37). De schepenen van Brugge en van het Vrije onderhandelden op 18 november over het betalen “den capitainen vanden scepen van oorloghe, uut ghereet ter Sluus ten convoye ende preservatie vanden harync buusen” (38).

Toen de regering van Filips II in 1557 weer 5.000 gulden bestemde voor de bescherming van de Vlaamse visserij, waren de westelijke zeesteden er niet meer voor te vinden om aan de oostelijke opnieuw 1.500 gulden te geven. Deze laatsten stelden voor “de repartitie te laten ghesciedene vat vats ghelyck”.

Daarna sleepte de onenigheid nog enige tijd aan (39).

De Vrede van Cateau-Cambrésis (1559) bracht een betrekkelijke rust op de Noordzee. Maar in de voorgaande jaren was in de Nederlanden de onrust alsmaar groter geworden. Ondanks de tegenmaatregelen wonnen de godsdiensthervormers in aantal en in macht. De gedurige oorlogen tegen Frankrijk hadden het land uitgeput. De ontevredenheid groeide onder de verarmde bevolking. De plaatselijke autoriteiten kregen het moeilijk om de orde te handhaven en het privaat bezit te beschermen.

In de winter 1563-64 werd alom in Vlaanderen roverij gepleegd “met menichte van volcke ende groote ghewelde”. Het Vrije besloot op 21 januari 1564 te “doen disinieren waken upde kercken, ende den lansman voorsien van wapenen als bussen ende andre gheweere”. Op 11 februari bepaalde het schepenkollege dat de parochies zelf de verlichting, de verwarming en het loon van “de ghuene wakende upde torren” moesten betalen (40).

Toren- en andere wachten konden toch niet beletten dat in augustus 1566 de Beeldenstorm over Vlaanderen woedde.

Nota's

  1. Reg. Vrije nr 291, Rek 1551-52, f° 35 v°
  2. idem, nr 24, Rezoluties 1543-1555, f° 208 v°, 209 r
  3. idem, idem, f° 210 v°
  4. idem, idem, f° 212 r°
  5. idem, idem, f° 213 v
  6. idem nr 291, Rek 1551-52, f° 184 r°
  7. idem nr 24, Rezoluties l543-l555, f° 217 v°
  8. idem, idem, f° 218 v°
  9. idem, idem, f° 219 r°
  10. idem, idem, f° 220 r°
  11. idem nr 291, Rek 1551-52, f 71 v°
  12. idem nr 24, Rezoluties 1543-1555, f°221 r°
  13. idem nr 291, Rek 1551-52, f 179 v°, 185 r°
  14. idem nr 292, Rek 1552-55, f° 156 v°     idem nr 293, Rek 1553-54, f° 157 r°
  15. idem nr 291, Rek 1551-52, f° 63 r°
  16. idem, idem, f° 63 v°
  17. idem, idem, f° 181 r°, 179 r°
  18. St Br Rek. 1551-53, f° 60 r°
  19. 0 P B (Ord. des Pays-Bas) deel VI, p 255
  20. Reg. Vrije nr 292, Rek 1552-53, f° 159 r°
  21. idem nr 24, Rezoluties 1543-1555, f° 231 r°
  22. idem, idem, f° 232 v°
  23. 0 P B deelVI, p 281
  24. idem, idem, p 288
  25. St Br Rek. 1552-53, f° 55 v°
  26. Reg. Vrije nr 292, Rek. 1552-53, f° 57 v°
  27. St Er Rek. 1552-53, f° 59 r°
  28. Reg. Vrije nr 292, Rek 1552-55, f° 57 v°
  29. idem, idem, f° 58 r°
  30. 0 P B deelVI, p 313
  31. Reg. Vrije nr 292, Rek 1552-53, f° 32 v°
  32. idem nr 24, Rezoluties 1543-1555, f° 256 v°
  33. St Br Rek. 1552-53, f° 61 v°
  34. Reg. Vrije nr 24, Rezoluties 1543-1555, f° 232 v
  35. idem, idem, f°304 r°
  36. idem, idem, f° 314 r°
  37. idem, idem, f° 347 r°
  38. idem nr 295, Rek 1555-56, f° 38 r°
  39. Idem nr 25, Rezoluties 1555-1579, f° 70 v°
  40. idem, idem, f° 172 r° en 174 r°

De Verdediging van de Kust van Noord-Vlaanderen vanaf 1300 - Deel 7

Maurits Coornaert

Rond de poldertorens
1971
01
019-026
Eddy De Baere
2023-06-19 14:41:38