PHILIPPE-FRANCOIS LIPPENS TE KNOKKE EN ELDERS  -   VAN 1784 TOT 1790

Dr. Jos De Smet

Een paar maanden geleden verscheen het boek van dhr. Lucien Dendooven over “De Nieuwe Hazegraspolder”, die voor het grootste deel toebehoort aan de Familie Lippens. Te dier gelegenheid willen we graag enkele gegevens mededelen uit het leven en het werk van de man die deze Polder heeft ingedijkt.

De Familie Lippens heeft van het begin af een grote rol gespeeld in het ontstaan en de ontwikkeling van de Nieuwe Hazegraspolder, van de Zoutepolder en ook van de prachtige badstad Knokke-Het Zoute.

Het was eerst in 1784 dat een Lid van deze Familie Knokke en Het Zoute heeft leren kennen, namelijk Philippe-François Lippens, geboren te Moerbeke -Waas in 1742. Evenals zijn vader Joannes Filips Lippens, was ook hij land-meter en dijkgraaf te Moerbeke. Hij heeft een belangrijk aandeel gehad in de ontginning van de schorren in het noorden van het graafschap Vlaanderen (1)

EERST EEN WEINIG GESCHIEDENIS

De grensstreek vanaf Knokke tot Lapscheure kende toen een beroerde tijd. Deze beroering was het gevolg van het tweede. Barrièretraktaat, gesloten te ‘s-Gravenhage de 22 december 1718, en dat de grenzen tussen Noordneder-land en de Oostenrijkse Nederlanden op sommige plaatsen in Vlaanderen had gewijzigd. Daardoor waren langs de huidige Zeeuwsvlaamse grens, delen van de provincie Vlaanderen overgegaan in Noordnederlands bezit namelijk 2138 gemeten te Knokke, Mude en Lapscheure; 6383 gemeten ten noorden van Boekhoute en ten westen van het Sas-van-Gent; alsook 9917 gemeten te Doel op de Schelde in het Land van Beveren.

Na het verdrag van 22 december 1718, werden te Brussel op 8 december 1719 commissarissen aangesteld, om samen met deze van de Noordneder-landse regering, de nieuwe grenslijn in de provincie Vlaanderen vast te leggen. De heren bleven 14 dagen wachten op de Hollandse commissaris-sen. De Oostenrijkse kolonel-ingenieur de Bauffe, hoofd van de Oostenrijkse commissie, schreef op 27 december 1719 aan de gouverneur van Sluis, generaal Vanderbeck, dat hij wachtte op de aankomst van de Hollandse commissie. De generaal liet op 21 december weten dat hij daarover geen bevelen ontvangen had, en dat hij de Oostenrijkse commissarissen zou verwittigen zohaast de Hollandse commissie zou toegekomen zijn. Deze commissie is nooit gekomen, zodat de Noordnederlanders nooit officiëel bezit genomen hebben van de nieuwe grens. Zo komt het dat de Oostenrijkse regering de oude grens van 1664 (de huidige Belgisch-Nederlandse grens) is blijven beschouwen als de definitieve grenslijn.

En dit legt uit waarom de toestand van het grondgebied van de parochie St-Anna-ten-Vrijen in de XVIIIe eeuw zo verward bleef (2).

In de nacht van 11 op 12 mei 1775, waren Belgische douaniers op post in de schorre van Het Hazegras, om het edikt te doen naleven, dat de uitvoer van graan naar het buitenland verbood. Zij vielen er op smokkelaars die konden vluchten, maar hun zakken graan moesten achterlaten. In afwachting dat een kar zou afkomen, bleven de kommiezen de wacht houden bij het graan. Maar de volgende morgen kwam een detachement van het garnizoen van Sluis het graan weghalen en nam de douaniers gevankelijk mede naar Sluis. De prokureur van de Raad van Vlaanderen te Gent eiste vruchteloos de douaniers terug. Deze werden op 30 mei door de vierschaar van het Vrije van Sluis veroordeeld. Twee kommiezen werden gegeseld met de strop aan de hals, een derde werd gegeseld zonder strop, twee andere werden aan een paal gebonden om de lijfstraf van hun makkers bij te wonen, en de zesde werd vrijgesproken.

De Oostenrijkse regering vroeg terstond eerherstel. De Staten Generaal te ‘s-Gravenhage wilden niet bekennen dat de magistraat van het Vrije van Sluis zijn macht was te buiten gegaan, noch dat de schorre van Het Hazegras op Oostenrijks grondgebied lag; maar zij schorsten de magistraat van het Vrije van Sluis in zijn bediening. Te Wenen vond men dit onvol-doende en verklaarde men alleen de grens van 1664 te herkennen, zodat de Noordnederlandse militairen aldaar het Oostenrijks grondgebied hadden geschonden. Wenen vroeg een volledig eerherstel. Op 1 augustus 1776 werd nu te ‘s-Gravenhage de handelwijze van het Vrije van Sluis afgekeurd; het vonnis tegen de douaniers werd nietig verklaard en moest uit de registers te Sluis verdwijnen en deze nietigverklaring werd in het openbaar afgelezen op het stadhuis te Sluis. Slechts op 1 november 1776 mocht de magistraat van het Vrije van Sluis zijn zittingen hernemen.

De Oostenrijkse regering nam genoegen met dit eerherstel, maar bevestigde nogmaals nadrukkelijk dat zij alleen de grens van 1664 bleef erkennen.

In 1780 volgde Jozef II op aan zijn moeder Maria-Theresia, en hij nam iedere gelegenheid te baat om nieuwe eisen te stellen aan Noord-Nederland, dat toen in oorlog gewikkeld was met Engeland.

Na zijn bezoek aan onze gewesten in 1781, liet de keizer de meeste van onze vestingen slopen, waarvan er enkele, ingevolge het eerste Barrière-traktaat van 1715, door een Nederlands garnizoen waren bezet. Op 12 november 1781 liet hij aan de regering te ‘s-Gravenhage weten, dat zij haar troepen uit de Oostenrijkse Nederlanden moest terugtrekken. De 7 januari 1782 verlieten deze troepen Dendermonde, Doornik, leper, het fort “De Knokke” te Merkem, Menen, Veurne en Waasten. Later, in maart 1782, vertrok ook het Hollands garnizoen uit Namen. Overal werden deze troepen door Oostenrijkse eenheden vervangen.

Sedert veel jaren vroegen de hertogen van Arenberg en Croy de toelating

om zekere schorren op de Zeeuwsvlaamse grens te mogen indijken, namelijk te Kieldrecht aan de beide zijden ven de grens, alsook de schorre van Het Hazegras te Knokke. In 1782 kregen beide hertogen de toelating daartoe, en het is bij deze gelegenheid dat de Familie Lippens haar bezittingen verwierf te Knokke.

De moeilijkheden met Noord-Nederland duurden voort. Op 17 oktober 1783 trok een Hollands detachement van dertig man en enkele officieren, uit het fort Liefkenshoek op de Schelde, naar het Belgisch kerkhof van Den Doel, een dorp op de Schelde, waar zij tegen wil en dank van de pastoor, één van hun soldaten kwamen begraven. Het fort lag in het in 1718 aan Nederland afgestane gebied. Op bevel van de Oostenrijkse regering ging op 28 oktober een Oostenrijks detachement van 400 man, onder de leiding van de President van de Raad van Vlaanderen te Gent, het lijk van de soldaat ontgraven en zij voerden het op een versleten kar, getrokken door een afgeleefd paard, naar het fort van Liefkenshoek. Daar deed de President de balie van het fort openen, en wierp het lijk in de buitengracht van het fort. Geheel het Nederlands garnizoen woonde het schouwspel bij, evenals talrijke Belgische inwoners uit Den Doel.

Een paar weken vroeger was een ander grensincident voorgevallen. Drie inwoners van Westkapelle visten in de St-Paulusvaart nabij de Stelle te Knokke. Die vaart lag in het in 1718 afgestane gebied. De officier van St-Anna-ter-Muiden sloeg het sleepnet aan en legde een boete op aan de vissers. De regering van Brussel gaf bevel aan de magistraat van het Brugse Vrije, al de Noordnederlanders aan te houden die nog visten in de St-Paulusvaart. De maréchaussée van het Brugse Vrije werd belast aldaar de Belgische vissers te beschermen.

Nu gaf de Oostenrijkse regering bevel de Hollandse garnizoenen te verdrij-ven uit de forten van het in 1718 afgestane gebied, en daarna deze forten te slopen. De hoofdman van Lapscheure trok op 4 november om 4 uur 's morgens begeleid door de maréchaussée van het Vrije en door tachtig soldaten van het Oostenrijks regiment Vierset, naar het fort St-Donaas, en verraste er de officier, de sergeant en de twee Hollandse soldaten die het fort bezet hielden.

Hetzelfde gebeurde met de forten St-Job en St-Paul, die ieder een garnizoen hadden van drie soldaten. De Hollandse militairen werden met wapens en bagage naar Sluis gezonden, en terstond begon men met de slopingswerken aan de forten.

Er kwam ook een bevel uit Brussel al de gronden, gelegen in het in 1718 afgestane gebied te Knokke, Mude, Westkapelle, Hoeke en Lapscheure, op te nemen in de belastingsrollen van de Belgische parochies. Hun bewoners mochten niets meer betalen aan de Noordnederlanders. De grond waar vroeger de forten Isabelle en Therese gestaan hadden, en die altijd verpacht werd ten voordele van de gouverneur van Sluis, werd nu door de Oostenrijkse domeinen zelf verpacht. En de douanelinie werd gelegd op de grenslijn van 1664. Oostenrijkse soldaten werden in de grensdorpen gelegd om de douaniers te beschermen.

De regering te ‘s Gravenhage liet haar gezant te Wenen daartegen protest aantekenen. Het kwam tot onderhandelingen te Brussel begin mei 1784. Nu eiste keizer Jozef II de vrijheid van scheepvaart op de Schelde, die sedert het Verdrag van Munster in 1648 door de Noordnederlanders werd gesloten gehouden voor de Zuidnederlandse schepen; en dit om de Noordnederlandse havens te bevoordeligen. De keizer zou handelsschepen onder Oostenrijkse vlag uit en naar Antwerpen sturen.

De 6 oktober 1784 vertrok het belgisch schip St-Louis uit Antwerpen. Bij Saaftingen werd het de 8 oktober door een Hollandse kotter beschoten, die de ketel van het schip vernielde. Vandaar de naam “la guerre de la marmite”. Een hollandse fregat hield het schip vast, dat enkele dagen later naar Antwerpen mocht terugkeren. Een ander schip onder Oostenrijkse vlag, “De Verwagtinge” vertrok uit Oostende naar Antwerpen, maar word op 15 oktober opgehouden in de monding van de Schelde door het Zeeuws eskader van vice-admiraal Reynst. Keizer Jozef II dreigde met oorlog. Ook Noord-Nederland nam militaire maatregelen. In november werd op veel plaatsen aan de Zeeuws-Vlaamse grens zeewater gestoken om de grensvestingen te beschermen. Dit zeewater verwekte overstromingen, vooral in het grensgebied.

De Franse koning Louis XVI trad op als bemiddelaar. Eindelijk, op 9 november 1785, werd het Verdrag van Fontainebleau gesloten. De landgrens bij ons werd teruggebracht op de lijn van 1664. De afwatering van onze grensstreken zou ongestoord verder gebeuren over Noordnederlands gebied. De forten Kruisschans en Frederik-Hendrik op de Schelde bij Antwerpen zouden gesloopt worden en de forten Lillo en Liefkenshoek keerden terug naar Oostenrijk. De keizer mocht nu ook de douanerechten bij ons naar goeddunken wijzigen. Maar het art. 14 van het Verdrag van Munster uit het jaar 1648 bleef onveranderd: de Noornederlanders zouden verder de Schelde, het Sas-van-Gent en het Zwin gesloten houden voor de Belgische schepen.

Beide partijen zouden kommissarissen aanstellen om de nieuwe grenslijn vast te stellen, evenals voor de ontwatering van onze grensstreek (3). Philippe-François Lippens werd één van deze commissarissen voor de grensstreek tussen het Sas-van-Gent en Antwerpen.

DE BEDRIJVIGHEID VAN PHILIPPE FRANCOIS LIPPENS VAN 1784 TOT 1788

a) De waterwerken

Philippe Lippens was niet alleen landmeter te Moerbeke-Waas, hij was ook een overal gevraagde deskundige voor het ontwerpen van waterwerken.

In 1783 had hij, op last van de Staten van Vlaanderen, opmetingen verricht aan de haven van Oostende. In januari 1784 legde hij ook de laatste hand aan de plannen die hij, na opmetingen ter plaatse, had getekend voor de kanalisatie van de rivier de Zenne in Henegouwen.

Tengevolge van moeilijkheden met de regering in Den Haag, werd begin 1784 eindelijk door de Oostenrijkse regering aan de hertog de Croy de toelating verleend om de schorren van het Hazegras te Knokke in te dijken. Deze schorren lagen sedert 1718 in het betwiste gebied. Op last van de regering deed Ph. Fr. Lippens in de maanden februari en maart de nodige opmetingen voor deze indijking. Samen met zijn kozijn De Bock, kon hij het deel van deze schorren kopen dat behoorde aan Albert de Gheldere uit Brugge.

In april werd hij door de Staten van Vlaanderen naar Kortrijk gezonden om aldaar de doorgespoelde batardeau [= waterkering] en de kaaimuur van de Leie te onderzoeken en het plan op te maken voor de herstelling.

In mei kreeg hij van dezelfde Staten de opdracht om de Krankloonpolder te Beveren-Waas te inspekteren.

Het grootste deel van de maanden september en oktober was hij werkzaam in Henegouwen, waar hij door de Staten van Henegouwen belast was met het opmeten van het plan voor de kanalisatie van de rivier de Dender.

Het volgende jaar 1785 werd hij belast met het nazicht van de houten brug over de Durme te Lokeren, waarnevens een partikulier een “schipzate” of aanlegplaats wilde bouwen.

In de maand juli verbleef hij opnieuw voor enkele dagen te Bergen, waar hij zijn plan voor de kanalisatie van de Dender voorlegde en besprak. In het terugkeren uit Bergen stapte hij af te Ninove, waar een particulier zijn advies vroeg over “de partage van de wateren” bij een watermolen.

In juni 1786 moest hij te Temse de kaaimuur van de Schelde onderzoeken, en in oktober was hij opnieuw te Bergen om er te handelen over de kanalisatie van de Dender.

De vorige jaren was te Moerbeke en te Stekene een nieuwe vaart gegraven. De kosten moesten verdeeld worden over de parochies. Philippe Lippens kreeg in september de opdracht de verdeling van de kosten te berekenen. In december kreeg hij een dergelijke opdracht in de ambachten Assenede en Boekhoute, waar in 1784/85 dijkwerken waren uitgevoerd tegen de overstromingen in het grensgebied veroorzaakt door de Noordnederlanders.

In het ambacht Boekhoute waren de dijken aangelegd onder leiding van Luitenant-generaal de Brou van de Oostenrijkse genie, met wie Lippens veel samenwerkte. Deze werken hadden aanleiding gegeven tot klachten, en op last van de Staten van Vlaanderen, werd Philippe Lippens in februari 1788 belast deze werken na te zien en erover verslag uit te brengen. Nog in dezelfde maand februari werd Lippens door de Staten van Vlaanderen naar Blankenberge gezonden, om aldaar de toestand van de duinen te onderzoeken, die bij stormweer gevaar liepen weggespoeld te worden.

Dezelfde maand nog reisde Lippens met de procureur-fiscaal van de Raad van Vlaanderen, Maroucx, naar het Coxydsche Gat in het Zwin bij Sluis, om aldaar de sluis te inspekteren, langswaar een groot deel van het Vlaamse grensgebied zijn water loste.

In maart werd hij door de magistraat van het Land van Aalst belast met de opmetingen voor het plan om de Dender te kanaliseren tussen de grens van Henegouwen en de stad Aalst. Dit was de voortzetting van de opdracht die hij in 1785/86 voor de Staten van Henegouwen had uitgevoerd.

In april kreeg hij van de Staten van Vlaanderen opdracht om de bruggen en de wegen van Zelzate te schouwen, en in mei voor het schouwen van de bruggen en de wegen in het ambacht Boekhoute. Tussenin zijn opmetingen aan de Dender, vroeg de magistraat van het Land van Aalst hem nog, het ontwerp op te maken voor het bouwen van een nieuwe brug over de Schelde te Gavere.

In juni moest hij nu in het ambacht Assenede en te Bentille (St-Jan-in-Eremo) onder het Brugse Vrije, de werken nazien die aldaar in 1785 door kolonel de Brou waren uitgevoerd, ten tijde van de overstroming in de grensstreek.

De stad leper die, sedert de midddeleeuwen, haar drinkwater trok uit de vijver van Dikkebus, leed aan een tekort aan drinkwater. Ze vroeg aan de regering een deel van de vestingsgrachten te mogen gebruiken als waterreservoir. Philippe Lippens werd in september-oktober daarheen gestuurd, samen met procureur-fiscaal Maroucx van de Raad van Vlaanderen, om ter plaatse een grondig onderzoek in te stellen en erover verslag uit te brengen.

Te Brugge, waar werken uitgevoerd werden aan de handelskom, was een dijk gelegd in de Oostendse Vaart, daardoor moest de sluis aan de Dampoort een grotere druk uithouden. Samen met de brug die erover lag, stortte de sluis in. De opziener van de werken van de Staten van Vlaanderen, Baraumont had een plan opgemaakt om de sluis te herstellen. Ph. Lippens, die onlangs uit leper was teruggekeerd, werd “per expresse’ naar Gent geroepen, om vandaar naar Brugge te reizen, waar hij ter plaatse, het plan van de te herstellen sluis en brug moest nazien en erover verslag uitbrengen (4).

Op het einde van het jaar werd hij door de Staten van Vlaanderen belast met het nazicht van de nieuw te bouwen brug over de Schelde te Wetteren, omdat de Gentse schippers vreesden dat ze aldaar met hun schepen niet zouden kunnen doorvaren.

b) Commissaris van de Regering bij de inundatie in de grensstreek

Wanneer Keizer Jozef II, in het jaar 1784, met oorlog dreigde indien de Noordnederlanders de Schelde niet openstelden voor de schepen onder Oostenrijkse vlag, staken de Noordnederlanders zeewater naar het grens-gebied tussen de zee en de Schelde, om de Oostenrijkse inval te beletten.

Op 8 november verbleef Philippe Lippens in zijn “Keete” op het Hazegras, waarvan de indijking de vorige maand was voltooid. ‘s Nachts om twee uur kwam boer Huybens, die woonde op de Steile, hem wekken. De Hollanders hadden langs Sluis zeewater gestoken. Samen met zijn werkvolk en met de arbeiders die werkten aan het nieuw fort aldaar, alsook met de aanwezige soldaten, werden al de “gaeten en rabotten” toegestopt, opdat het zeewater niet verder zou komen dan tot tegen de “linie van Reygaertsvlied”. Drie dagen later was Ph. Lippens te Moerbeke, waar, in de vergadering van de notabelen van de parochie besloten werd, wanneer het water van de overstroming aldaar hoger zou komen dan de Moerspeie, “seffens alle de watergangen te stoppen”.

De hoofdbaljuw van het Land van Waas kwam op 29 november te Moerbeke om te zien of de parochies Moerbeke en Stekene, ingeval de Riedepolder zou doorgestoken worden, zouden kunnen bevrijd worden van de overstroming door het opwerpen van een dijkje. Aan de landmeters Philippe Lippens en De Bruyne, werd opdracht gegeven een plan te ontwerpen voor het te verrichten werk.

De Hollanders hadden ook water gestoken in de polder van Den Doel langs de Schelde, om aldaar het door hen bezette fort Liefkenshoek te beschermen. Op aanvraag van de dijkgraaf en van de gezworenen van de polder, onderzocht Philippe Lippens in Den Doel de oude sluis van de Schelde, die reeds lang buiten gebruik was, en waartegen een dijk was opgeworpen. Langs daar zou men kunnen een deel van het water uit de polder in de Schelde laten afvloeien. Op aanvraag van de grote gelanden, die te Antwerpen bijeenkwamen, reisde Ph.Lippens naar Brussel, om bij de Staatssecretaris baron de Crumpipen, de toelating te vragen om de oude sluis te mogen openen. Dit werd op 16 februari toegestaan, op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat het openen van de sluis zou gebeuren onder de persoonlijke leiding van Ph.Fr. Lippens. Kolonel de Brou, die te Brussel bij de Staatssecretaris aanwezig was, stelde voor in Den Doel een afdeling Oostenrijkse soldaten te stationeren, en “Spaanse ruiters” (=versperringen met balken voorzien van scherpe pinnen) gereed te stellen om te beletten dat het Hollands garnizoen van het fort Liefkenshoek de werken zou storen.

Men moest wachten op de dooi om de werken aan de oude sluis te beginnen. Deze werd op 26 maart geopend en liet veel water wegvloeien. Bij hoog water werd de sluis gesloten en hield dicht.

Op 20 februari was Lippens naar Gent geroepen bij de President van de Raad van Vlaanderen, Dierickx, die hem belastte met de uitvoering van de nodige werken langs de Riedepolder, om Moerbeke en Stekene voor overstroming te vrijwaren (5).

Ondertussen waren onderhandelingen aangeknoopt tussen de Noordneder-landse en de Oostenrijkse regeringen, en werd de toestand in het grens-gebied beter. In Den Haag was besloten een einde te stellen aan de overstroming. De sluizen in Zeeuws-Vlaanderen zouden opengesteld worden om het overtollige water uit de streek rond de grens naar zee te voeren.

De 31 maart 1785, ‘s avonds, werd Ph. Lippens “per expresse" vanuit Moerbeke naar Boekhoute geroepen, alwaar President Dierickx hem de aan-stelling overhandigde om, in overleg met de Noordnederlandse overheden, het afvoeren van het water van de overstroming in de grensstreek te regelen langs de sluizen van Philippine en van Sas-van-Gent. Ph. Lippens werd op 1 april te Sas-van-Gent ontvangen door kommandant Prins van Hessen, die beloofde alles te doen om de taak van Lippens te vergemakke-lijken. Met Hollandse officieren en met de inspekteur van de werken bezocht hij bij Biervliet de Amaliassluis en de Oranjesluis, die bij laag water openstonden. Daardoor kon het water door de sluizen van Boekhoute en van Watervliet wegstromen, zodat deze sluizen “met alle accelleratie trocken”.

De volgende dag ging Ph. Lippens bij de kommandant van Philippine, baron de Plettenberg; ook daar stonden de west- en de oostsluis open bij laag water. Regelmatig reisde onze kommissaris van de ene sluis naar de andere, zowel in het Belgisch als in het Nederlands grensgebied. Er werd zelfs een dijk doorgestoken op Nederlands gebied om de waterafvoer te bespoedigen. Op 13 april kwamen te Assenede voor het eerst overstroomde landerijen droog. Het duurde nog tot 21 april vooraleer al het zeewater was wegge-stroomd. De zeesluizen werden nu gesloten en op de overstroomde gronden liet men nu zoetwater binnen uit de Sasse- Vaart om het zout van de overstroming op te lossen.

Samen met de Hollandse commissarissen stelde Ph. Lippens op 4 mei een proces-verbaal op, waarbij vastgesteld werd dat de overstroming met zoetwater nu overal was doorgevoerd. Daarmede eindigde zijn opdracht. Meer dan een volle maand was hij gedurig op weg geweest in de grens-streek, en keerde in al die tijd slechts driemaal naar Moerbeke terug.

Maar het was niet alleen voor het bestrijden en beperken van de overstro-mingen dat de overheid beroep deed op Ph. Lippens; ook voor het vastleg-gen van de grenslijn werd zijn hulp ingeroepen. Keizer Jozef II wilde de grens van 1718 niet erkennen, omdat deze opgedrongen werd door het tweede Barrièretraktaat. Hij hield zich bij de grenslijn van 1664, die vastgesteld was ingevolge het Verdrag van Munster uit het jaar 1648, en die nu nog de Belgisch-Nederlandse grens vormt. De keizer liet de betwiste grensstreken onderzoeken. Zo kwam luitenant-kolonel de Brou, Ph.Lippens opzoeken te Moerbeke “ter causen van te visiteren de limieten van hier tot Antwerpen”. Hij bleef slapen bij Lippens en de volgende dag gingen ze met landmeter De Bruyne en met de griffier van Moerbeke, met hun kaarten de grensstreek onderzoeken. Wat zij ook deden te Stekene en te Kieldrecht.

Door het Verdrag van Fontainebleau van 9 november 1785 verzaakten de Noordnederlanders aan de grens van 1718 en werd de oude grenslijn van 1664 opnieuw de landgrens. Deze moest nu verkend en definitief vastgelegd worden.

Op 23 augustus 1786 ontving Ph. Lippens het bezoek van de procureur-fiscaal van de Raad van Vlaanderen Maroucx, vergezeld door kolonel de Brou en kapitein Mahieu, alsook van de Hollandse officieren, generaal du Moulin en kapitein Freytag, die kwamen spreken over de nieuwe limieten of grens-lijn. Allen bleven bij Philippe-François Lippens logeren, en de volgende morgen werd aldaar in huis een konferentie gehouden, waarna allen vertrokken naar het Poireboom Gat, om aldaar de grenslijn te onderzoeken. 's Avonds kwamen ze terug

logeren bij Lippens. De grenskommissie kwam op 3 september opnieuw naar het huis van Lippens, waar ze twee nachten logeerde en gedurende de dag de grens bezocht. Op 5 september hield zij in zijn huis een conferentie over de limieten. ‘s middags bleven allen aldaar noenmalen, en in de namiddag is de commissie “ onverrichter saeken” uiteen gegaan.

c) Philippe-François Lippens als bedijker

De achttiende eeuw was een tijd waarin veel onvruchtbare gronden dienstbaar werden gemaakt voor de landbouw. In het binnenland werden veel heiden ontgind, en langs de kust en Schelde werden talrijke schorren ingedijkt en veranderd in vruchtbaar polderland.

Van in zijn jeugd kende Ph. Lippens het bedijken van schorren. Hij woonde in een polderdorp en zijn vader Joannes Filips Lippens was een befaamd bedijker. Hij was het die in 1744-1745 de herindijking doorvoerde van de St-Katerinepolder te Oostende, die sedert 1664 diende als “bassin de chasse” om de verzanding van de haven van Oostende te bestrijden.

Het is dan ook niet zonder reden dat de regering van Brussel in 1784 het advies van Philippe Lippens inwon wanneer besloten werd de schorre van het Hazegras in te dijken.

Daar was hij in de maanden februari en maart 1784 bezig met de opmetin-gen om het plan van de nieuwe polder te maken. Deze schorre lag in het betwiste grensgebied van 1718, en behoorde ten dele aan de hertog de Croy en aan de Bruggeling Walwein. Het overige, de negen zestienden, was eigendom van Albert de Gheldere. Samen met zijn kozijn de Bock uit Gent, kocht Lippens dit laatste deel. Door de eigenaars werd hij belast met de indijking van de schorre en werd later tot Dijkgraaf van de nieuwe polder aangesteld. De indijking was voltooid op 8 oktober 1784. Al de overeen-komsten werden te Brugge afgesloten, waar advokaat Dhert de zaakvoerder was van de hertog. Maar gedurende zijn verblijf te Bergen, waar hij opmetingen deed voor de kanalisatie van de Dender, vertrok Ph. Lippens op 16 oktober 1784 voor één dag naar Condé, om aldaar persoonlijk te onderhandelen met de hertog de Croy.

Hij kwam regelmatig veel dagen doorbrengen in de nieuwe Hazegraspolder, waar hij, samen met kozijn de Bock , gerst en koolzaad. liet zaaien. De opbrengst werd dan verkocht aan brouwers en olieslagers te Brugge en te Lokeren en omgeving. Er werden zelfs schepen koolzaad naar Amsterdam gestuurd.

De Nieuwe Hazegraspolder scheen zijn hoofdbekommernis en zou misschien zijn grootste bron van inkomsten worden, want hij verbleef aldaar 123 dagen in 1784.; slechts 35 dagen in 1785 omdat hij dan zeer veel officiële opdrachten kreeg. Het volgende jaar verbleef hij 66 dagen op Het Hazegras; in 1787 was hij er 73 dagen en 48 dagen in 1788.

Op Het Hazegras woonde hij eerst bij boer Huybens op de hofstede "De Stelle" bij de St-Paulusvaart (waar nu Gerard Adriaensens woont). Lippens liet zich dan een “keete” bouwen, waarschijnlijk uit plakwerk met een strooien dak, waar hij op 23 mei 1784 zijn intrek nam. Hier ontving hij regelmatig bezoekers, die er soms overnachtten. Zijn werkvolk was voor een groot deel afkomstig uit de streek van Moerbeke. Ook zij woonden in keten. Voor hen liet hij soms de zondag aldaar een mis opdragen door een kapucien.

Alhoewel hij een deel van de Hazegraspolder rechtstreeks uitbaatte, bouwde hij aldaar een hofstede, waarop de kastelein De Meyer kwam wonen. Hier nam Ph. Lippens vanaf november 1786 zijn intrek, totdat hij aldaar in 1787 een eigen huis liet bouwen.

Ook kozijn de Bock, die veel op Het Hazegras verbleef, liet er zich een huis bouwen. Op 5 augustus 1786 werd deze aldaar zwaar ziek aan reuma, een gevolg van het vochtig polderklimaat. Een dokter uit Brugge werd er bijgeroepen, en om de zieke te verzorgen liet men uit Gent een cellebroeder of alexiaan komen. Na weken was de zieke genezen en betaalde hij de dokter 43 lb.[= ponden] wisselgeld voor elf bezoeken.

In november 1786 vroeg Ph. Lippens aan de regering om ook de Zoute schorre te kopen, waarop zich later de wijk Het Zoute heeft ontwikkeld. In januari kon daarvoor een overeenkomst gesloten worden. Daarbij kwam nog op 5 maart 1787 de aankoop van de Commandeurs Plaat, ten zuid-oosten van het Hazegrasfort. Hij kocht de Plaat samen met kozijn de Bock en met kolonel de Brou. Ook de Kommandeursplaat werd ingedijkt.

Om wel te tonen dat de grensstreek, die in 1718 naar Nederland was overgegaan, het rechtmatig bezit bleef van het huis van Oostenrijk, liet Keizer Jozef II in de polder van Het Hazegras een fort bouwen, evenals een aanlegplaats in het Zwin, met een daarbij behorende lazaret, waar de schepen die uit “de Levant” [= streken rond de evenaar] kwamen, zouden moeten aanleggen om aldaar een quarantaine door te brengen tegen mogelijke besmettelijke ziekten, vooral de pokken, die zij uit het Oosten zouden meebrengen. Daarna zouden deze schepen mogen aanleggen in de havens van Oostende en Nieuwpoort.

Met deze werken werd in 1784 een aanvang gemaakt. Maar de Staten Generaal van de Nederlanden hielden voet bij stuk voor de toepassing van art. 14 van het Verdrag van Munster van 1648, waarbij zij het recht hadden o.m. de toegang tot Het Zwin te beletten aan de Belgische zeeschepen. Zo komt het dat de aanlegplaats en het lazaret nooit werden gebruikt, want regelmatig was aldaar een Noordnederlands oorlogschip van het Zeeuws eskader op wacht.

Philippe Lippens moest dit persoonlijk ondervinden wanneer in oktober 1786 een van zijn schepen, geladen met koolzaad, uit Het Zwin naar Oostende wilde varen. Het werd door een Zeeuws oorlogschip aangehouden, maar na onderzoek van zijn papieren vrijgelaten. Wanneer Lippens te Gent daarover sprak met de procureur-fiscaal van de Raad van Vlaanderen, kon deze hem niet helpen.

Het nieuwe fort van Het Hazegras was gebouwd op grond van de nieuw ingedijkte polder. Het duurde echter tot januari 1788, vooraleer de gronden die in het fort opgenomen waren, betaald werden.

Buiten de bedijkingen in de streek van Knokke, heeft Philippe Lippens, samen met andere eigenaars, begin 1785 de Ferdinanduspolder te Moerbeke laten indijken. Hij bezat ook een grote eigendom te Hoofdplaat op de Schelde, ten noorden van Ijzendijke, die hij in 1787 ten dele zelf uitbaatte, aangezien hij in juli van dit jaar aldaar tarwe en gerst verkocht. Later had hij aldaar twee hofsteden die hij verhuurde.

Te Kieldrecht had de hertog van Arenberg in 1784 schorren ingedijkt langs beide zijden van de landsgrens. Daar kocht Philippe Lippens, maar op Statengebied, in maart 1787, samen met een tweede persoon, 167 gemeten 150 roeden. Ook hier baatte hij zijn eigendom het eerste jaar rechtstreeks uit, om hem dan in november 1788 te verpachten.

En in december 1786 had hij 17 gemeten 70 roeden gekocht in de ingepolderde Brandkreek in de Oudeman op de Nederlandse grens.

d) Beheerder van de Goederen van het Bisdom Gent, te Moerbeke en omgeving

Buiten zijn officiële opdrachten, zijn bedrijvigheid op Het Hazegras en elders, was Philippe Lippens ook beheerder van het goed van het Bisdom Gent in zijn gewest. Regelmatig gaat hij de weiden, landerijen en bossen bezoeken, en laat hij er de nodige werken uitvoeren. Hij verpacht de landerijen, verkoopt het hooi aldaar, alsook de bomen en het brandhout. Gewoonlijk gaat hij zelf de bomen tekenen die zullen verkocht worden.

In 1780 was de plaats van griffier van de heerlijkheid Wulfsdonck te Moerbeke, die behoorde aan het Bisdom Gent, open gekomen. Lippens vroeg deze plaats en had daartoe een onderhoud met de bisschop, Prins de Lobkowitz. In november 1788 werd hij als griffier aangesteld. Bij het indiensttreden moest hij een eed afleggen.

Al deze bezigheden waren nog niet voldoende voor Philippe-François Lippens, die daarbij sterfhuizen van verwanten en kennissen vereffende en het beheer op zich nam van het goed van wezen uit de familie. Hij was o.m. belast met de vereffening van een sterfhuis van de familie Alvarez te Terneuzen, die beweren af te stammen van de hertog van Alva.

Ieder jaar reisde Lippens naar Oostende om er het huurgeld te ontvangen van de landerijen die zijn vader bezat in de St-Katerinepolder.

UIT HET DAGELIJKS LEVEN VAN PHILIPPE LIPPENS

De dagen die Ph. Lippens thuis doorbracht te Moerbeke waren allen goed gevuld. Gewoonlijk vermeldt hij voor ‘s morgens en soms ook ‘s namiddags: “gewerckt op mijn comptoir aen differente saecken". De namiddag wordt meestal gebruikt om zijn eigen goederen, alsook deze van het Bisdom Gent te bezoeken, en de verkopingen en verpachtingen voor te bereiden. Als hulp bij zijn kantoorwerk en ook wanneer hij ging opmeten, had hij een klerk. Eén ervan moest hij op 20 oktober 1785 wegzenden wegens zijn “incorrigible zattigheyd”. Tot afscheid schonk hij hem 24 kroonstukken.

Het gebeurde dat hij ging wandelen met zijn vrouw, die haar man toch zo weinig thuis had. Soms nam hij haar mede wanneer hij omliggende plaatsen bezocht.

Philippe Lippens was zeer gelovig, en iedere dag dat er niet te veel werk was, ging hij 's morgens naar de kerk. Op de hoogdagen of op de volgende dag ging hij te biecht en te communie. Dat noemde hij zijn “devotie” houden. En op de hoogdagen woonde hij meestal de vespers bij.

Hij kreeg dikwijls bezoek van familieleden en vrienden, waaronder de pastoor en de onderpastoor van Moerbeke. Deze laatste woonde in een huis van Ph. Lippens. Ook de pastoors uit de omgeving kwamen op bezoek. Vrienden van de familie waren dokter Angelis en notaris Christiaens uit Moerbeke. Met al deze vrienden werd gewoonlijk met de kaart gespeeld, ook wanneer hij bij hen op bezoek ging. Regelmatig bezoekt Ph. Lippens zijn vader, die te Moerbeke op het kasteel Wulfsdonck woonde, en die aldaar overleed op 29 juli 1788. Wanneer hij op reis was in de streek, ging hij zeer dikwijls noenmalen bij een of andere pastoor van zijn kennissen.

Enkele van deze kennissen werden uitgenodigd op Het Hazegras, waar hij

vanaf 1786 soms zijn vrouw mede nam en soms zijn kinderen met een meid. Van 22 tot 30 juni 1788 verbleef geheel zijn familie aldaar aan zee. Maar het regende bijna iedere dag, zodat weinig van de zee genoten kon worden. Ook naar Hoofdplaat en Kieldrecht nam hij soms zijn vrouw mede.

Over zijn vrijetijdsbesteding heeft hij niet veel opgetekend. Op twee zondagen in juni en juli 1784 speelde hij “met de bolle” in zijn kete op Het Hazegras. Graag ging hij jagen, zowel te Moerbeke als op Het Hazegras, waar hij schoot op hazen, patrijzen, kwakkels en watersnippen. Te Moerbeke liet hij regelmatig met een sleepnet vissen in de waterlopen, maar dit was veeleer om verse vis op tafel te brengen. Op 13 juli 1787 ging hij zelf vissen in de zee te Knokke, maar kon niets vangen.

De soldaten die op het fort van Het Hazegras lagen, durfden ook wel eens jagen in de polder. Dit kon Ph. Lippens niet toelaten. Op 23 juni 1787 ging hij bij de “lieutenanten” van het fort daarover klagen. De officieren beloofden hem dat zij niemand “met hont of fusique” in de polder zouden laten rondlopen.

Dikwijls, wanneer hij voor zaken te Brussel logeerde, bezocht hij aldaar de “Comedie” of schouwburg. Meermaals nam hij voor enkele dagen zijn vrouw mede naar Brussel. Zij bezochten samen de comedie en op 28 juli 1785 kocht hij te Brussel voor haar een nieuwe “robe”.

Hij reisde veel naar Gent, soms met zijn vrouw, om zaken te regelen met de ontvanger van het bisdom, met de leden van de Staten van Vlaanderen of van de Raad van Vlaanderen. Wanneer hij aldaar bleef overnachten of middagmalen, gebeurde dit meestal ten huize van kozijn de Bock, die een van de grote gelanden van de Hazegraspolder was. Soms ging hij eten bij zijn schoonbroer De Keyser. Na de dood van zijn vader trok hij met zijn vrouw en zijn zoon naar Gent om aldaar hun rouwklederen te laten maken.

Ph. Lippens is ook enkele malen ongesteld geweest. In augustus 1784 had hij pijn in de rug en liet bloed trekken. Dit gebeurde later nog. Maar op 21 oktober 1787 werd hij thuis ernstig ziek. Hij leed aan een ontsteking in de buik en bleef op zijn kamer tot 2 december. Een veel gebruikte remedie was het purgeren. Wanneer zijn jongste kinderen in oktober 1785 door de pokken aangetast waren, kwam hij terstond uit Gent terug. Het was geen erg geval en weldra kon hij naar Knokke vertrekken. In maart 1786 was zijn zoon ziek op het Engels kollege te Bornem. Hij reed er aanstonds heen. Ook wanneer zijn vader op het laatste van zijn leven ziek lag, ging hij hem regelmatig bezoeken. Zijn vrouw reisde op 24 juli 1785 naar de oogmeester Sacré te Antwerpen.

Op 19 november 1785 zou de bekende luchtvaarder Blanchard met zijn ballon te Gent opstijgen in de Biloke. Iedereen ging dit niet alledaags schouwspel bewonderen. Ook de Brugse burgemeester Robert Coppieters was met zijn vrouw en zijn twee dochters daarvoor speciaal naar Gent gekomen. Hij schreef in zijn dagboek dat de ballon opsteeg om 12.15 u. Blanchard was te Gent terug op 21 november. En op de kouter was er zoveel volk om het te zien, als bij het bezoek van Keizer Jozef II in 1781. 's Avonds verscheen Blanchard gedurende de voorstelling in de schouwburg, en werd. er door de toneelspelers met een gedicht verwelkomd. De toegang tot het terrein waar de ballon opsteeg was tamelijk duur. Burgemeester Coppieters betaalde voor vier personen fl. 6.6.0 waar hij voor de schouwburgvertoning slechts fl. 4.11.0 betaalde (6).

Ook Philippe Lippens was speciaal naar Gent gereisd om de ballon te zien opstijgen.

Te Moerbeke zelf ging hij op vastenavond 20 februari 1784, met zijn vrouw, in gezelschap van de pastoor en dezes nichten, een vertoning bijwonen in de herberg De Sterre, waar zij gingen zien "naer de consten van Carel den Zot". Dit was waarschijnlijk een goochelaar.

Maar de grote vriendschap met de pastoor van Moerbeke zou weldra een geweldige deuk krijgen. Op 13 augustus 1786 stelde men vast dat al de banken in de kerk van Moerbeke uitgebroken waren en van plaats veranderd. De volgende dag kwamen de wethouders bijeen om daarover te beraadslagen. De pastoor, die hun de toelating niet gevraagd had, was dus zijn macht te buiten gegaan. Waarschijnlijk wilde hij de banken niet op hun oude plaats terugstellen en er werd door de wethouders een klacht ingediend bij de Raad van Vlaanderen te Gent, want op 25 april 1787 kwam een deurwaarder van deze, om in de kerk alles op zijn oude plaats te doen stellen. Sedert dit incident met de banken kwam de pastoor niet meer aan huis bij Philippe Lippens. Anderhalf jaar later kwam de pastoor weer regelmatig op bezoek; waarschijnlijk was de vroegere pastoor op een andere parochie benoemd.

ZIJN REIZEN

Philippe Lippens heeft veel gereisd voor de talrijke opdrachten waarmede hij werd belast, alsook voor het beheer van zijn goederen op Het Hazegras, te Hoofdplaat en te Kieldrecht.

Hier zien we met welke snelheid men zich op het einde van de achttiende eeuw verplaatste. Er bestonden toen slechts steenwegen tussen de steden; waarbij nog enkele plaatselijk steenwegen kwamen, zoals Brugge-Westkapelle-Hazegras. Al de andere wegen waren aardewegen.

Meestal reisde Lippens met zijn “chaise” of sjees: een licht rijtuig op twee wielen. Ten gevolge van de slechte toestand van de wegen, werd de chaise soms getrokken door twee paarden. Zo logeerde Lippens op 5 november 1784 te Brugge in het Hôtel du Commerce, “met zijn chaise en peirden”, wat wijst op meer dan één paard.

Met de chaise vertrok hij op 14 maart 1786 om 8 uur uit Moerbeke, nam het noenmaal te Dendermonde, en was om 15.30 u. te Brussel. Op 26 juni 1787 vertrok hij om 12 u. uit Gent naar Brugge, waar hij om 18.30 u. vertrok om te 20 u. op het Hazegras toe te komen. En op 20 maart 1787 vertrok hij per chaise uit Gent om 8 u., was te Aalst om 12 u.; bleef er noenmalen en kwam om 17 u te Brussel toe. Wanneer hij op 8 juni 1786 om 7 u. uit Moerbeke vertrok, was hij om 11 u. te Watervliet, waar hij bleef noenmalen, en kwam om 17 u. op Het Hazegras aan. De 16 maart 1784 vertrok hij per chaise uit Moerbeke om 11 u., en was reeds om 18 u. te Brugge. Op 28 mei 1785 vertrok hij om 7 u. uit Moerbeke, noenmaalde te Aalst, en was ‘s avonds te Aat.

Maar de snelste reis gebeurde op 27 juli 1786. De vorige dag had Lippens op Het Hazegras twee schepen koolzaad geladen, waarvan het ene 257 hoed vervoerde en het andere 605 1/4 hoed (een hoed was een inhoudsmaat van 172 liter). Hij had ook schippers uit Aardenburg besteld, maar deze lieten op zich wachten. De 27 juli besloot hij terstond naar Oostende te reizen om aldaar schepen te bestellen. Hij vertrok per chaise om 9.30 u. uit Het Hazegras en was om 13.30 u op het Sas Slijkens, waar hij twee schepen huurde. Hij ging te Oostende binnen, waar hij een verzekering afsloot voor een ander schip dat voor hem vaarde en dat 39 last of 39 ton koolzaad vervoerde. Dit schip verzekerde hij tegen fl. 15.000. Uit Oostende vertrok-ken om 16.30 u., huurde hij op Sas Slijkens nog een derde schip van 30 last. Hij vertrok aldaar om 17.15 u. en was om 21.30 u. op Het Hazegras terug.

En op 14, mei was hij te Oostende geweest om aldaar het pachtgeld te ontvangen van de landerijen van zijn vader in de St-Katerinepolder. ‘s Namiddags om 16 u vertrok hij uit Oostende langs het “strange’, over Blankenberge, en was ‘s avonds op Het Hazegras (7).

Wanneer hij met een vierwielige koets reisde duurde het wat langer. De reis Brussel-Bergen duurde een volle dag, met noenmaal te Soignies of te Halle. Uit Brussel vertrokken om 7 u., was hij te Bergen om 18 u. Op 27 mei 1786 vertrok hij per “voiture” uit Oostende om 5 u. en was om 18 u. te Gent. Op 2 sept 1784 vertrok hij per koets uit Brussel om 7 u. en was om 18 u. te Bergen. De 13 februari 1785 vertrok hij na de middag uit Antwerpen en was om 17.30 u. te Brussel. Per koets uit Brugge vertrokken op 12 april 1787 om 5 u., was hij reeds om 8 uur op Het Hazegras.

De traagste reis gebeurde op 27 februari 1784, wanneer Lippens voor de eerste maal naar Het Hazegras reed om aldaar de schorren te meten. De reis geschiedde met een koets bespannen met vier paarden. Uit Brugge vertrokken om 7 u., was hij om 13 uur op Het Hazegras.

Hij gebruikte ook de trekschuiten of bargen, die een regelmatige dienst verzekerden tussen bepaalde steden, die langs de grote waterwegen lagen. Dit was het gemakkelijkste reizen, maar het duurde veel langer. Op de barge kon men eten en drinken en met de kaart spelen. Uit Gent vertrokken om 7 uur, was de barge gewoonlijk om 14 uur te Brugge.

1790 : EEN GELUKKIG JAAR THUIS

De Brabantse Omwenteling, gericht tegen de hervormingen van Keizer Jozef II, begon in 1789, met de inname van de stad Turnhout door de opstandige patriotten op 27 oktober. Andere patriotten kwamen uit Zeeuws-Vlaanderen, langs Kieldrecht, en namen Gent in op 17 november en Brugge op 18 november. De 12 november verlieten de Oostenrijkers Brussel en de 17e Namen; en ze trokken zich terug achter de Maas.

Op 11 januari 1790 werd te Brussel de onafhankelijkheid uitgeroepen van onze gewesten onder de naam van Etats-Belgiques Unis. In de Staten Generaal te Brussel ontstond weldra onenigheid tussen de conservatieven en de vooruitstrevenden.

Keizer Jozef II was op 10 februari gestorven en opgevolgd door zijn broeder Leopold II. Engeland, Noordnederland en Pruisen beloofden hem te helpen om zijn gezag in de Belgische provincies te herstellen.

Eindelijk, op het einde van november 1790; nam de Oostenrijkse veldmaar-schalk Bender het offensief. De “Etats-Belgiques Unis” vielen uiteen. Op 25 november heroverden de Oostenrijkers Namen. De 2 december waren zij te Brussel, de 6e te Gent, de 8e te Brugge en de volgende dag te Oostende. Al de hervormingen van Jozef II, die de revolutie hadden uitgelokt, werden afgeschaft.

Voor Philippe Lippens werd het jaar 1790 een gelukkig jaar, dat hij thuis kon doorbrengen. Hij kreeg weinig officiële opdrachten en kon zich beperken tot het beheer van zijn bezittingen en van de goederen van het Bisdom Gent. Nu kon hij iedere dag naar de mis gaan en dikwijls, samen met zijn vrouw, een uitstapje ondernemen in de omgeving of naar een van de nabijgelegen steden Lokeren, St-Niklaas, Hulst en Ter Neuzen. Hij bracht slechts 21 dagen door op Het Hazegras.

Zijn veel vrije tijd besteedde hij op zijn comptoir, o.m. met het opmaken van een nieuw handboek of register van zijn bezittingen en inkomsten, waaraan hij maanden heeft gewerkt. Voor de eerste maal vermeldt hij dat hij op 16 mei een gaaischieting heeft bijgewoond te Moerbeke.

De weinige officiële opdrachten die hij kreeg, namen niet veel dagen in beslag. In februari werd hij belast met het nazicht van de tragels van de Moervaart. Dezelfde maand kreeg hij een belangrijke opdracht van de Staten van Vlaanderen, die hem belasten met de inspektie van de vestingswerken van Oostende en van Nieuwpoort. Op 3 maart nam hij, samen met een andere landmeter, de barge Gent-Brugge, alwaar hij om 14 uur toekwam en er bleef logeren, om de volgende morgen te 7 uur de barge te nemen naar Oostende. Bij zijn aankomst te Oostende was de magistraat niet ingelicht over zijn komst. Hij kon er zijn opdracht vervullen. Twee dagen later nam hij te Oostende de barge die hem over Plassendale naar Nieuwpoort bracht. Uit Nieuwpoort keerde hij met de barge naar Brugge terug. De reis duurde de ganse dag, zodat hij het noenmaal nam op de boot.

In maart moest hij nog de houten brug te Eksaarde nazien.

Over de Brabantse Omwenteling vinden we slechts weinig aantekeningen in zijn notaboekje. Bij het begin van de revolutie, in november 1789, moet hij het raadzaam gevonden hebben een deel van zijn papieren en ook van zijn geld in veiligheid te brengen te Axel in Zeeuws-Vlaanderen, bij sieur De Smidt, misschien een notaris. Op 23 januari 1790 vertrok Philippe Lippens ‘s morgens om 8 u. met zijn klerk naar Axel, waar hij bij sieur De Smidt, uit het kistje dat hij daar in bewaring had gegeven “twee packen met quitantiën en papieren” nam.

De 4 januari reisde hij naar Gent, om aldaar op de Vrijdagmarkt, de publikatie bij te wonen van het manifest van de Staten van Vlaanderen, waarbij Keizer Jozef II vervallen verklaard werd van zijn waardigheid als graaf van Vlaanderen. Op 25 januari werd in de kerk van Moerbeke een solemnele dienst gecelebreerd voor de gesneuvelde patriotten.

Na enkele maanden werden overal vrijwilligerskorpsen gevormd om het patriottenleger te helpen. Zo werden op 1 september, in de kerk te Moerbeke, het vaandel en de wapens gewijd van de plaatselijke volontairen.

Op 20 september was Philippe-François Lippens, met talrijke notabelen, naar Gent geroepen, om er de eed van trouw te zweren aan de Staten van Vlaanderen.

Niettegenstaande de beroerde tijd, bracht Ph. Lippens zijn zoon en zijn neef naar Leuven, om aldaar aan de Universiteit de filosofie te studeren . Zij vertrokken uit Moerbeke op 2 oktober, noenmaalden te Dendermonde en logeerden 's avonds te Brussel. De volgende dag reisden ze verder naar Leuven. Vader Lippens betaalde aldaar het kostgeld voor twee studenten, en schonk aan ieder een som goudstukken voor kleine onkosten. Hij keerde daarop naar Moerbeke terug.

In oktober had Keizer Leopold II een manifest gepubliceerd, waarbij hij de opstandige Belgische Provincies aanzette om terug te keren onder het gezag van de Oostenrijkse kroon. Al de hervormingen van Jozef II zouden afgeschaft blijven en er zouden geen vergeldingsmaatregelen genomen worden. Op 10 nov. werd daarover beraadslaagd in het “prochiehuys” te Moerbeke. Welke beslissing genomen werd, staat niet vermeld.

Enkele vooraanstaanden uit onze gewesten wilden wel als vorst een lid van de Oostenrijkse dynastie, maar niet Keizer Leopold II. Ze stelden voor als vorst van de Belgische Provincies, de jongste aartshertog, Karel van Oostenrijk. Ook daarover werd op 25 november beraadslaagd in het parochiehuis.

Maar het was te laat. Op 27 november vernam men dat de keizerlijke troepen Namen hadden bezet en dat het patriottenleger uiteenviel. Dit verwekte paniek. Schoonbroer De Keyser kwam uit Gent naar Moerbeke gevlucht, waar hij bij Ph. Lippens papieren en geld in bewaring gaf.

Op 2 december kwam ook de heer Van Doorne uit Gent met zijn juffers vluchten naar Moerbeke bij Ph. Lippens, omdat te Gent de magazijnen geplunderd werden. Vader Lippens nam zijn chaise en reed naar Dendermonde, om aldaar zijn dochter Marie af te halen uit de kostschool van de Benediktinessen. En de volgende dag kwam ook zijn zoon thuis. Hij had Leuven verlaten omdat ginder onlusten gevreesd werden.

De bezetting van de grote steden door de Oostenrijkse troepen was rustig verlopen. Op 13 december zou de Universiteit te Leuven haar lessen hernemen, zodat zoon Lippens op 11 december naar de Universiteit terugkeerde. En op 18 december kwam schoonbroer De Keyser uit Gent, de papieren en het geld terughalen, die hij bij Philippe-François Lippens in bewaring had gegeven.

                 -----------------000000000000000000-------------------

 

Nota‘s

  1. Deze bijdrage werd geschreven met de notaboekjes van Ph. Fr. Lippens voor de jaren 1784-88 en 1790. Nu bij de familie Graaf Leon Lippens te Knokke.
  2. Rond de Poldertorens, 5e jaar 1963 nr. 1 blz. 8/9. Over de wijzigingen van de landsgrens in 1715 en 1718, zie: Rond de Poldertorens 2e jg. 1960 nr. 4 blz. 10/16 , alsook Rond de Poldertorens 8e jg. Nr. 3 blz. 102/105.
  3. L. Gachard: Histoire de la Belgique au commencement du XVIII e siècle, Brussel 1880 blz. 499 en 549 en volgende. Alsook Broeder Gaëtan: Het roemloze einde van het Fort Sint-Pol te Knokke in november 1783, in Rond de Poldertorens 3e jaarg. Nr. 3 blz. 89/101.
  4. Robert Coppieters: Journal d’évènements divers et remarquables (1767-1797) uitgegeven door P. Verhaegen Brugge 1907, blz. 128 en 131/133.
  5. De Familie Lippens bezit een groot geschilderd portret van President Dierickx.
  6. R. Coppieters, a.w. blz. 53.
  7. De reis langs het strand ging waarschijnlijk niet verder dan Wenduine, omdat van daar af houten golfbrekers het strand en de duinen beschermden (zie Biekorf, 1948, blz. 74).

Philippe-François Lippens te Knokke en elders van 1784 tot 1790

Jos De Smet

Rond de poldertorens
1968
03
085-104
Achiel Calus
2023-06-19 14:38:19