Breuken en  schaeckels, schyncktallioren, beloenberden en standaerts

Broeder Gaëtan

Laat u niet bedriegen door dit opschrift. Het gaat in dit korte stukje over de breuken uit ons gewest. En er komen nog enkele ditjes en datjes bij over tinnen platelen van de vrouwengilden, kanonnetjes bij de mannen, en dies meer.

Bekijk eerst met mij de foto nr 1. Dan weet u aanstonds wat een breuk is: de zilveren ketting die de koning van de St-Sebastiaansgilde mocht dragen bij de schuttersfeesten en in de ommegangen. De hier afgebeelde is die van Dudzele, en zonder twijfel is het de schoonste uit ons gewest.

Wat een pronkstuk! Bekijk eens aandachtig elke schakel afzonderlijk en u zult met mij akkoord gaan dat we hier te doen hebben met een enig stukje edelsmeedkunst. Hoe sierlijk en hoe gevarieerd is het loofwerk omheen de schildjes “ajour” [= doorschijnend ] uitgewerkt. De moeite waard om door een specialist in zilversmeedkunst van naderbij onderzocht te worden: wellicht kunnen de namen van enkele van deze kunstsmeden achterhaald worden.

Hier vinden we meteen de oorsprong van de naam “Schakel” die gegeven wordt aan de zilveren platen die later aan de breuken gehangen werden. Dit hier zijn nog echte schakels die, door de nieuwe koning geschonken, telkens bij de “halsband” ingelast worden.

De schildjes vermelden alleen de naam en de datum. De laatste schakels echter dragen al een groter schild ten nadele van het loofwerk. De schenkers willen er reeds meer op schrijven, zoals blijkt uit de “Voorlopige Inventaris” die als bijlage volgt. Dit is waarschijnlijk gebeurd onder invloed van de grote zilveren schilden met lange teksten, uit de naburige dorpen. Maar dit juweel hier blijft ons pronkstuk!

Onderaan de breuk werd een zilveren vogel gehangen. Het moest een papegaai voorstellen. Soms gelijkt die meer op een duif met lange staart . . . maar nooit is het juweeltje banaal. Te Dudzele is het een vogel met opengeslagen vleugels en met een kroon op de kop. Te Moerkerke is het een gekroonde vogel; te Westkapelle, een gekroonde vogel met op de borst het wapen van de schuttersgilden, t.t.z. het wapen van Jeruzalem (foto 2).

Soms hangen er onder de vogel kleine schildjes. Deze mooie hangertjes dragen een naam: misschien die van de schenker van de vogel. Bewonder die van Adriaen Van Rosebeke en van Gautier Vander Beke te Westkapelle (foto 2) of het sierlijke hangertje van Pieter Uterwulghe met op de keerzijde het wapen van Lissewege (foto 3). Daarnevens heeft Knokke gemist met aan de vogel een banale moderne penning te hangen (foto 5).

Eén keer, te Westkapelle, vinden we bij ons een sluitstuk van de breuk (foto 4), dat op de rug moest hangen. Het heeft de vorm van een halve maan; het is het oudste sieraad (1803) van de jonkmansgilde na de hangertjes (1613) De plezierige tekst kunt u lezen in de Inventaris: Jonkm. Nr. 2.

In de statuten lezen wij: De Koning van de Gilde zal gehouden zijn een eerlijke presentatie te doen volgens vermogen om te versieren “den Coliere van den Gaey” dewelke niet zal mogen veranderd worden noch van naam noch van wapen ten genen tijde. Die Gaai met eretekens zal bewaard worden door de hoofdman of iemand door hem daartoe aangesteld. De breuk mag de parochie niet verlaten “ten ware om andere schietspelen in andere prochies te vereren”.

Het waren dus de koningen die aan de gilde een schakel “jonden” [= geven]. Maar er zijn een paar uitzonderingen. Te Moerkerke geeft baron ‘t Serclaes tot 2 maal toe een schakel ter gelegenheid van zijn verkiezing tot hoofdman, in 1869 en in 1877. Te Westkapelle had hoofdman Petrus van Hemel dit reeds gedaan in 1790. Dit zelfde jaar gaf ook Frans Gheile een mooie schakel als “hoofdman van de prochie”. Maar in Westkapelle was het in bijzondere omstandigheden, zoals ik verder vertel. Bij de jonkmansgilde van Westkapelle vinden we ook een penning geschonken door de “Staethouder”. In deze gilde was een stadhouder (wat was zijn bediening?), lid van de eed.

De schakel werd gejond kort nadat de schenker tot koning was verheven. Soms werd gewacht tot hij werd afgeschoten. Zo kan het gebeuren dat wij in Lissewege voor het jaar 1822 vier schakels aantreffen: 2 bij de mansgilde en 2 bij de jonkmansgilde, telkens door de afgeschoten en door de nieuwe koning geschonken. Het gebeurt wel dat de schakel pas jaren later gegeven wordt bvb. Veilsoet van Lissewege, koning in 1716, geeft zijn schakel in 1725. Misschien was hij eerder niet rijk genoeg. Dhr. Gustaaf Vandepitte vertelt ons daarvan een treffend voorbeeld. Arsenius Herman komt naar Uitkerke als hoeveknecht en smidsgast. Hij schiet koning in 1819. Zijn baas sterft en hij trouwt met de weduwe Rosa Claeys. Nu is hij een welstellende boer en gevestigd paardesmid. Hij wordt burgemeester en schenkt in 1827 een dure schakel (inventaris Uitkerke nr. 12) versierd met hamer en nijptang gekruist boven het aambeeld.

In 1800 wordt het blijkbaar hier en daar de gewoonte slechts om de 3 jaar koning te schieten. En dan geven de koningen een schakel op het einde van hun ambtsperiode. “‘t Is dry jaer dat hij heeft koning geschiet, en het heeft hem nog niet verdriet” (Fr. Claeys Liss. 1819). “Joseph Sette 1828 teynde synder dry jaeren” (Liss.). Freyne geeft de laatste schakel te Lissewege, gemerkt 1876-1879. Te Oostkerke lezen we: ”1787 J. Van Belleghem, koning zag, ende geconstitueert [= vastgesteld] tot dat hij heeft deze schakel aan de gilde vereert ten jare 1791”. En verder zijn daar schakels gedateerd: 1803, 1806, 1810, 1812 . Dus ook om de drie jaar.

Over de teksten op de schakels is er een lang artikel te schrijven.            

Het geschrift is gewoonlijk goed verzorgd, soms erg onhandig; meestal drukletter, maar op andere gewoon handschrift; weleens stuntelig met “nagelpunt” ingeklopt, maar merendeels fijn gegraveerd. De spelling en de zinsbouw op “den buiten” in de 17 en de 18e eeuw is onvast, gebrekkig, en gaat zo mank dat ge niet altijd direkt de zin vat. Aan originaliteit zijn de koningen zich niet te buiten gegaan. Tientallen keren komt hetzelfde voor. “Als koning verheven, heeft de schakel gegeven” leest men te Lissewege. Want elk dorp had zo een beetje zijn eigen formule. "Op welke dag, men hem koning zag”, is van Oostkerke. In Knokke is het tot op onze dagen een traditie dat de koning de schakel “jont”. Te Westkapelle geschiedt dit “ter ere Gods ende St. Sebastiaan”. Dan vindt iemand een ander rijmpje (Liss. 1803): ”ten heeft hem niet verdroten, dat hij heeft koning geschoten”. Andries Hansens schrijft in 1654:

“Sinte Andries houdt ick voor min patroon “                                            
“ter eeren Godts ende Ste Sebastiaen ydoon “                                          
“soo heb ick gegeven dese schaekel schoon.” (Knokke)

Dat “ydoon” is dialekt voor “gedaan” en past in ‘t rijmpje; verder komen we dat “idoon” tegen, nageschreven zonder dat de nieuwe koning de betekenis ervan schijnt te vatten.

In het verzen maken is Knokke niet zo sterk. Daarvoor moeten we vooral naar Uitkerke en naar Westkapelle. Wie deze “gedichten” opmaakte, blijft een raadsel. Soms de koster, zeker soms de pastoor (ze ruiken naar wierook) of misschien de “factor” [= dichter] van de plaatselijke rederijkers-kamer zoals te Middelburg.

Ze komen zeker soms uit hetzelfde brein, met dezelfde goede spelling en woordenkeus en met dezelfde struktuur en spellingsfouten.

De oudste schakel van Uitkerke uit 1662 (1) draagt al verzen:                           

“Als de Gilde eerst begonste “
“toonde ick rnyn goede jonste “                                                           
“om de Gilde van Hutkercke “                                                               
 “tot begin van goede wercken.”                   Eerasimus Berrens 1662.

Dit is dezelfde Berrens die reeds in 1650 aan Lissewege een schakel jonde met “Eerasimus Berrens Coninck van S. Sebastiaen in Leisewe. heeft (den eergaey geschoten) 1650”. De tekst is onderbroken door een gekroonde vogel met een pijl doorboord. De plaat is versierd met 3 beren (foto 8). Ook deze rebus wijst naar de invloed van de rederijkers.

Het “spontane gedicht” is meermaals: Hij schoot straf, de gaai van ere af; waarvoor hij hier uit ‘s herten grond, dees zilvren schakel jont. Een bron van inspiratie is dikwijls de naam van de koning of de koningin:

“Brigita De Naert “                                                                                  
“t’ Uytkercke onvervaert “                                                              
“behaelde d’eer Crans”     (de erekrans)                                              
“voor ‘t smiten den gans “   (1779)

De Meulenaere en De Ketelaere worden dankbaar gebruikt bij “desen jaere”; Blauwet past bij gelet.

De woordspeling is niet altijd zo gelukkig. In Westkapelle klinkt het:    

“Dees schaekel is gejont door Petrus van Hemel,”                                              
“Een bakker van syn styl, een man gelyck een kemel” (1790)

Het spelen met de naam blijft niet altijd bij het rijmpje: Molenaar Baervoets ging er in 1816 barrevoets bij staan om tot koning verheven te worden en later nog eens om zijn schakel te geven (inventaris Uitkerke nr. 10). In kleine onschuldige dingen vonden die mensen hun pret.

En de verzen groeien maar langer, vooral te Westkapelle. Het wordt een plezier om ze te lezen in de “Voorlopige Inventaris” hierna.

“Aensiet dit schoon geschenk, met milde hand gegeven”
“Door Gheil die hooftman is, een man weerdig geprezen”
“Van ‘t Westcappelsche volck. Wat verdient hij voor loon,”
“Plaes hem op synen cruin, een wel gevlochte croon.”     (1790)

En voor de jonkmansgilde Westkapelle 1840:

“Pieter Lateste als koning verheven”
“Schoot in ‘t fleur van zijn leven”
“En zijn hert was vol van eeren”
“En dat doet zijn jeugt vermeeren.”

Een paar keren maar treffen we een echo aan van de grote geschiedenis. Te Westkapelle heeft men , eigenaardig genoeg, maar één schakel van vóór 1790, nl. die van Marten Coppens van 1649 (foto 19). Maar herlees in de “Voorlopige Inventaris” de nrs. 2, 3 en 4 respektievelijk geschonken door de koning Sebastiaen Vervaecke, door de hoofdman van de gilde Petrus van Hemel en door de hoofdman van de parochie Franciscus Gheile. Waar zijn de vroegere schakels naartoe?

Nr 2 geeft de oplossing. Vervaecke schenkt een schakel, een nieuwe “keten en gaye” omdat de vorige eretekens bij de Brabantse Revolutie door hem (hij was hoofdman sedert 1789) en de andere confraters “int doen van den eed van trouw aen ‘t Volck wierd opgedragen voor onderstandt aen de Staeten”. Maar nu de wind gedraaid is, hangen ze aan de (ook nieuwe?) gaai van de jonkmansgilde een vergulde keizersarend (foto 2). En aan de nieuwe breuk van de mansgilde, drie “Vanderlandsche Schaekels” versierd met de dubbelkoppige Oostenrijkse arend, met teksten als:

“In het jaer 1790 den moed die was soo groot van heel het Nederlant”
“ ‘T scheen al dat Keysers was, dat moeste op het sant”
“Den arent lag gevelt dog voor een korten tyd “
“En wij weer keysers syn, trots alle die benyd.”

Hebben ze kort daarop weer hun wieken naar de wind gezet? Slechts één keer wordt er meegedaan met de Fransen te Westkapelle ! : “F.R. (Franse Republiek) Op den 29 Fructidor XII jaer (=1805) heeft Pieternelle Teresia Rammelaere huysvrouwe van Frans Allaert als koninginne verheven, heeft dese schaekel aen De gilde van St Sebastiaen gegeven ter commune (sic!) van Westcappelle”.

We moeten naar Uitkerke om nog iets van het grote gebeuren te vernemen. Constantinus Blauwet boft dat hij koning schoot op de dag dat Bonaparte “kwam voorbij Uytkerk gereden” - (jammer zonder datum) - En in 1820 houden zij schuttersfeest op 19 en 20 juni “ter gedagtenisse van den gloorieusen veltslag van Waterloo” (=18 juni 1815). We ruiken ook een klein beetje Frans in Oostkerke waar Vanden Bulcke, secretaris van de Meyerie te Damme, in 1803 een schakel jont.

Van den Bulcke is niet de enige die zijn ambt vermeldt. P. Pollet was “burge-meester van de stadt ende port van Blankenberge” (Uitkerke 1786); .A. Herman, burgemeester van Uitkerke (1827); Franckin, secretaris der Gemeente (Lissewege 1828). En nog in 1862 lezen we: Ph. Tavernier, Burgemeester en Dijkgraaf te Knocke en oud lid van de Staten van West-Vlaanderen.

Daarmee weten we hoe de oude schakels van Westkapelle verdwenen. Waarschijnlijk hielden ze de oudste, zoals ze ook deden te Uitkerke. Daar hebben ze al de schakels van de overleden leden (min de oudste) in 1803 verkocht aan een Brugse zilversmid... om met de opbrengst een gaaipers te kopen. Op de jongste schakel van Uitkerke lezen we: ”t’ jaer 1835 schoot ik straf/ St Pieters avond den gaey van eeren af/ in de uytkerksche gild van St Sebastiaen/ ik schenke voor myn jonst dees schakel hier aen/ in t’ jaer als ik zede Confraters WILt gIJ konlnCk Wezen/ Doet Devolr geLIJk Ik Voor Dezen (=1838). P.I. De Langhe zinspeelt op zijn voornaam en stelt een chronogram op. Hij schenkt dus zijn schakel na zijn driejarige ambtsperiode.

Een gans ander genoegen verschaft ons de studie van de vorm van de schakels. Daarom hebben wij er een hele reeks in foto gereproduceerd, want dat moet ge bekijken. Te Knokke blijft men traditiegetrouw houden aan een heel eenvoudig zilveren plaatje: gestyleerd schild met uitgesneden half maantje (foto 14, 15, 17, 20 en 21). Later gaat men over tot een meer hartvormige plaat, om zoals de andere gilden uiteindelijk van het kunstig handwerk te vervallen in de nietszeggende “gemechaniseerde” penning.

Te Lissewege en te Westkapelle volgt men de stijl van de tijd. Van dat schone klassieke Renaissance schild van smid Marck Aldein (foto 6 en 7) in 1617 - de vorm van Marten Coppens 1649 (foto 19) is minder gelukt - gaat men naar grote en rijke Barokke platen in gedreven zilver (foto 10, 11 en 12) om langs de grillige Rococo (foto 13) bij de rustige Louis XVI te komen (foto 9). Er zijn echte kunstwerken bij. Maar Moerkerke moet nog schonere bezitten.

Van Moerkerke bezitten we voorlopig enkel penningen, vooral herinnerings- penningen aan schietingen en optochten in vreemde gemeenten. Zo krijgen ze in 1839 en 1842 te Sluis een penning als “Societeyt met de luijsterijkste eeretekens”. Als prachtigste gilde verschenen ze te Beerst in 1841, te St. André-lez-Bruges in 1842, te Brugge in 1846. Ze waren met het grootste aantal schutters te Sluis in 1842, te St. Laureins in 1843, te Brugge in 1883 en in 1895 ! Ze schitterden in de stoeten bij het inhuldigen van Simon Stevin‘s standbeeld te Brugge in 1846 en bij het onthullen van Jacob van Maerlant te Damme in 1860. Deze luisterrijke eretekens kunnen bijna onmogelijk verdwenen zijn? Waar zijn deze schakels, waar is de oude standaard, waar zijn de twee mooie bronzen kanonnetjes die er voor kort nog waren, waar het beloenberd? Wij hopen dat we ze nog ergens in privé-bezit kunnen terugvinden. Maar wat, als zelfs een beroemd museum na 1954 de zo schone schakels van Oostkerke kan kwijtgeraken?

Bij het bekijken van de foto’s zult u gelet hebben op de verschillende emblemen van ambachten die de koningen uitoefenden. Bakker van Hemel uit Westkapelle (1790) laat zijn schakel op voor- en keerzijde versieren met de gekruiste pale en loete [= ovenschop en –krabber]. Molenaar C. Van Kersschaever (fot. 13) uit Lissewege 1780, laat er een mooie molen op aanbrengen. Smid Marck Aldein 1617, laat tussen zijn initialen een gekroonde hamer graveren boven een aambeeld - daarbij is deze zeer schone schakel (foto 6 en 7) in de punt nog versierd met een bloemmotief. De rijke brouwers uit Lissewege J. D’hondt in 1787 (foto 12) en C. D’Hondt in 1812, tonen ons het gekende brouwerssymbool: stuikmand op twee gekruiste roervorken. Natuurlijk vinden we van de schutters hun wapen-schild (foto 9) of de gekruiste bogen en pijlen (foto 16) omheen de gaaipers (Lissewege 1721), of gekruiste boog met pijlenkoker (Lissewege 1819). Rond 1900 zijn er te Knokke verschillende koningen die hun beroep vermelden: brouwer, hotelier, juwelier. De vroegere vormgeving getuigde van meer smaak en inspiratie.

Op de schakels vraagt ook het graveerwerk onze aandacht. De ene keer is het St. Sebatiaan, de patroon van de schutters, zoals dit goede werk bij Veilsoet (Lissewege 1725) op foto 18. Een andere keer wordt het de patroon van de schenker, zoals voor Marten Coppens, Westkapelle 1649 (foto 19). Te Dudzele vinden we een kar met 2 bereden paarden (1664) of een pers en een met vlaggen versierd schuilhuisje (1845). Op een penning van Westkapelle, nog eens een gaaipers, een bierton en een schutter die naar doelen mikt. Op de penningen wordt het weeral seriewerk: dezelfde weerkerende St-Sebastiaan of dezelfde gaaipers.

Ik wil nog even verwijlen bij de schakels van Knokke. Niet alleen omdat we daar oude kennissen ontmoeten, zoals in 1650 Maryn De Boodt, brouwer en tavernier in de Roode Leeuw ten voorh. in de Smeestrate, de man van wie we het proces-verbaal lazen toen hij de duinen in gevaar bracht door er het hout te laten wegkappen. Zijn schakel (foto 14 en 15) is tevens een voorbeeld van een “geschreven” tekst. Maryn doet hier godvruchtig. Hij is te Knokke niet alleen. Goeris (lees Gooris) De Cuper laat op de keerzijde zijn patroon graveren: St. Joris te paard velt de draak (1671). Francoeis De Snick (1679) maakt er een Kruis-Lieve-Heer van: een primitieve gravuur, simpele volkskunst zoals de St. Sebastiaan bij Giliam Brom ( Gilliaume Braem?) 1701, op een schakel vol dwaze spellingfouten.

Dhaese schrijft in 1782 “Een yder wensche desen coninck sigh te bereyden/ om met Godt enden H. Sebastiaen hem eeuwigh te verblijden”. Ondertussen verblijden ze zich ook een beetje op aarde en laat Jacques Wouters in 1663 op zijn schakel een lustige wijnschenker graveren (foto 17).

Ik wil vooral uw aandacht trekken op een specialiteit van Knokke: de bloemmotieven, dan vooral in het eerste deel van de 17e eeuw. Heinckx in 1649, Breidel in 1650, De Boot in 1662, Heins in 1659, Van Ackere in 1661 en Verrie in 1662, leveren ons kunstige modellen van gestyleerde bloemen, die ons doen denken aan de 17e -eeuwse haardtegels. Bewonder met ons de twee kanten van de schakel van Lauwereins Heins (foto 20) en vooral de keurige tulp van Lenaert Verrie (foto 21). Jammer genoeg schakelt Knokke over naar ander graveerwerk en slechts sporadisch komt de bloem terug, zoals bij Nicolas Pini in 1682 en 1685: het is een kleinere bloem in de punt van het schild. Wij willen nog het mooie gansje vermelden in de punt van de schakel van Marie Lateste in 1939; en u doen letten op de vele zilvermerken door Broeder Filip opgetekend: bvb. de “G.B.” en het “tulpje”.

Dat de confraters en de confrateressen niet wachtten tot in de eeuwigheid om zich met den Heiligen Sebastiaan te verblijden, vertellen ons ook in Westkapelle schakelteksten als: “De mannen moesten hem wel genegen zyn/ Want hij wierd beschonken met menig commen wyn”. In het bovenstaande artikel over het schuttersfeest te Oostkerke, hebt u kunnen lezen welke omvang die jonsten aan de nieuwe koning of koningin konden aannemen.

De “commen wyn” zijn allicht kommen kandeel. Die veelal gebloemde, wijde kandeelkommen moeten nogal groot geweest zijn: in Uitkerke heeft men genoeg met 3 om heel de gilde te trakteren. Kandeel is opgewarmde wijn -ook bij dopen en huwelijken gepresenteerd - waarin dooiers van eieren geroerd worden en een snuifje kaneel. Ze werd gedronken uit een smalle hoge kroes of een glas, soms uit een tinnen kroes met glazen bodem. Daarin werd geroerd met een kandeellepeltje met lange steel; aan het einde was de steel voorzien van een stampertje om de kandijsuiker te verbrijzelen op de bodem van de kroes.

Met bier waren ze nog milder. Na de koningschieting te Uitkerke geeft de nieuwe koning als jonste 1 ton bier, de koningin eveneens 1 ton. De dag daarop, bij de prijsschieting jont de koning nog een halve ton bier. En de zondag daarna laat de koning “voor de knechten” een halve ton tappen, en de koningin ook een halve ton “voor de arbeiders”. De “zijvogels” trakteren met “een kwaerte bier”, volgens een reglement van 1835.

Mejuffrouw Esther Van Kersschaver uit Knokke, die zorgvuldig de eretekens van Lissewege bewaart - haar vader was de laatste hoofdman - heeft ons enorm geholpen en op weg gezet bij het opmaken van dit speciaal St-Sebastiaansnummer. Heel de St-Guthagokring is haar daarvoor dankbaar. Zij bezit ook nog twee kostbare tinnen platelen; gewonnen door haar beide grootmoeders:  Melanie Claeys en Rosalie Van Kersschaver. Op deze mooie “schyncktallioren” staat het ganzeknuppelen van de vrouwen goed afgebeeld (foto 22 en 23).

In de randversiering van de Oogst in een getijden boek van de Brugse miniaturist Simon Bening (+ 1561), vinden we reeds heel duidelijk dit zeer oude spel afgebeeld. Te Oostkerke werd het zeker vóór 1750 door de vrouwengilde beoefend. En hoe verrast keken we op, toen we in de tentoonstelling “Knokke 1900”, op de schoorsteenmantel van het oude huisje, een waarlijk prachtstuk van een ereplateel zagen pronken. We hopen u die later eens in foto mede te delen. Hij dateert van 1764 en draagt tweemaal 2 gekruiste knuppels.

De vrouwengilde had dus ook een koningin en die jonde ook wel een schakel, die aan een zilveren ketting (Westkapelle) of aan een veelkleurig lint (Knokke) werd vastgemaakt. Aan die ketting of dat lint hing niet een papegaai maar een gans. Bekijk maar eens het kunstvolle gansje met de knuppel van Westkapelle (foto 24) en ook de zittende gans van Knokke (foto 25). Ze mogen gezien zijn! Ik vernoemde de gans op de schakel van Marie Lateste (Knokke 1839), maar die vinden we ook terug in de punt van het schild bij Rosalie Quataert, vrouw van burgemeester Sebastiaan Nachtegaele, in 1862.

Het bestuur of “de Eed” van de vrouwengilde bestond uit een hoofdman en 2 zorgers. Zij waren leden van de mansgilde, maar werden gekozen door de vrouwen. En moeders letten op hun centen: ”de sorgers sullen pertinent register houden ende rekeninge doen so vander ontfanc als vanden uitgeef”. Te Westkapelle worden op de schakels de hoofdman en de koningin bezongen: “Ten jaer duys[en]d acht honderd negen/ Antone Meysman met Gods zegen/ wierd hoofdman van de vrouwe gild/ Het welk dat ieder vrouwken wild/ Want 't was een schutter snel en sterk/ Die schoot voor preufstuk van zijn werk/ Op Sinxendag van ‘t jaer sestien/ Den eeregaye by de mannelien”. En voor koningin Freubonie Mareydt klinkt het : “Ten Jare negentien honderd en acht/ heeft het voorzeker niemand gedacht/ Maar ‘t is dat den Heer het alzoo wilde/ dat men heeft als koningin van de gilde/ Febronie Mareydt in de gilde hooggeacht/ Het is een vrouw vol kracht en moed/ en alles voor de gildes welzijn doet/ En daarom roepen wij ten allen kant/ Xij hebben de best koningin van ‘t land.”

Natuurlijk kregen de mannen bij prijsschietingen ook “schyncktallioren". We hebben er een voor u gereproduceerd (foto 26). Hij werd geschoten door Michiel Fournier, de oude “suisse” van Knokke en is een gifte van Stanislas Haine, vice-consul van Amerika in ‘t jaar 1912. Die schonk nog zulk een plateel in 1905 en in 1910. Op de bodem van deze drie platelen is het oude volle wapen van de Knokse Gilde gegraveerd. Reeds sedert 1648 voeren zij een dubbel schild: Lissewege - Knokke had geen wapen, maar behoorde bij de Ambacht Lissewege - en Jeruzalem. Let eens hoe de tekenaar van dat heerlijk wapenbeeld de lokale folklore heeft weten opt te roepen door als helmteken een guitig duinkonijntje mee te geven.

Als de gilde op straat kwam, ging de tamboer voorop, gevolgd door de standaarddrager. De “standaert” was de geschilderde vlag, later een gebor-duurde en nog later een eenvoudig gestikte. Van de eerste en kostelijkste soort bezitten wij in ons Poldermuseum te Lissewege een prachtexemplaar uit de 18e eeuw. Het is de standaard - ook de oorspronkelijke gedraaide stok is er nog bij - van Lissewege, bestaande uit een afgerond langwerpig stuk rozerode damast met gulden franje, en beschilderd met een keurig medaillon (foto 27): de marteldood van de H. Sebastiaan. Ook op de keer-zijde draagt het vaandel een kunstig medaillon: het schutterswapen op 2 gekruiste bogen en 2 gekruiste pijlen, boven twee palmtakken; de jaartallen zijn later aangebracht. Lissewege, Westkapelle en Knokke bezitten ook nog een vierkant geborduurd vaandel. In de aloude statuten van Knokke staat er: “den lesten afgeschoten coninck sal den standaert vande Gilde voeren”. Ook de vrouwen van Uitkerke hadden hun vaandel, zeker vóór 1812.

Ouder dan de standaard, is het gebruik van een beloenberd. Het is een ruitvormig (beloen) omlijste bard met twee draagstokken. Altijd is er St.- Sebastiaan op geschilderd. Knokke bezit er gelukkig nog twee, echte en oude. Een oudere en een jongere? - of is de ene van de mansgilde en de andere van de jonkmansgilde? (foto 29). De beloenberddragers waren geen leden van de schuttergilde en werden vergoed. Op de feestmalen van St.- Sebastiaan, moest de waard hen “den cost geven”.

We vernamen reeds dat te Oostkerke op de 2e dag, de prijsschietingsdag, de winnaar Sebastiaansheer was. Was dit misschien de “staethouder” van Westkapelle? Te Knokke en te Zuienkerke zijn er twee Ridders.

"Ende naer (na) het schieten van den Gaey soo sullen zy elck een schote schieten naerde doelen (waar een staak voor geplaatst is). Waeraf de naeste twee Ghildebroeders aende staecke, sullen wesen Rudders vanden nieuwen Coninck, sonder dat yemant sal vermogen syn pyl uuyt te trecken totdat de schote van de sorgers geoordeelt sal wesen. . . Welcke twee ridders alsdan gaen sullen met den voors[eide] Coninck ende sitten ter maeltyt nevens zyn zyde. Waernaer volgen sullen de afgaende Coningen van een en twee jaeren."

Op de grote schuttersfeesten werden muzikanten gehuurd. Uitkerke bewaarde voor ons hun namen uit 1816: “den vijoelspeelder [= vioolist] Bonneure tot [= van/uit] Blankenberge, den tamboer Pieter Waege tot Ramskapelle en den fijfelaere [= fluitist] Joseph de Graeve tot Dudzele.

In de oude teksten wordt een duidelijk verschil gemaakt tussen de stompe “bouten” pijlen , waarmede “opwaerts naer den Gaey” wordt geschoten, en de scherpe “schichten” pijlen, die moesten blijven vastzitten als men schoot “ten doele”.

De doodschuld van “wie daer goet, meubelen, cateylen [= stuk vee / ander roerend goed] achtergelaeten hebben” wordt door de familieleden betaald “uit het eerste gereedste goet” van de overleden gildebroeder; ook de boe-ten, verbeurten, gelaggelden van St-Sebastiaansdag of van gaaischietings-dag, en de jaargelden moesten door de erfgenamen aangezuiverd worden. Maar zo iemand van de gildebroeders “soo verweect ende verarmt waere dat men hem met syn goet niet uytten (uitvaart bezorgen) en coste”, dan moet hij op kosten van de gilde behoorlijk begraven worden.

Er is nog zoveel over onze Sint-Sebastiaansgilden te vertellen. Wie van de Leden van Sint-Guthago helpt ons bij het verzamelen van gegevens?

Hier volgt nu in bijlage de Voorlopige Inventaris van de Breuken en Schakels. Daaraan hebben medegewerkt: Germain Vandepitte, Rene De Keyser, Broeder Filip, Gustaaf Vandepitte, Karel Desmedt, Willy Theerens en Broeder Gaëtan.

_______________________________________

Voetnoten

1. Van Uitkerke bestaat er nog in privé-bezit: het gildeboek van 1809, een rol rekeningen, de sluier en de zilveren pijl voor de koning en de breuk met schakels. Al wat wij over Uitkerke vertellen, halen wij uit de nota’s van ons medelid Gustaaf Vandepitte, die ons uit deze bron liet putten. Jammer genoeg, door verstrooidheid, hebben wij in de “Voorlopige Inventaris” de tekst van de oudste en van de jongste schakel laten wegvallen. Daarom geven wij ze voluit in dit artikel.

2016 03 22 103927Afbeelding van een gans aan een erelint

Breuken en schaeckels, schyncktallioren, beloenberden en stadaerts

Broeder Gaëtan

Rond de Poldertorens
1967
04
099-107
Achiel Calus
2023-06-19 14:38:19