De aardappelplaag in Lissewege - 1845/1852

Germain Vandepitte

Vanaf de 2e helft van de XVIIIe eeuw was een gedurige stijging van de graanprijzen waar te nemen. Samen met de bevolkingstoename, waren ze de oorzaak, en wel de voornaamste, van het stijgende aardappelverbruik in West-Europa. In zo verre dat einde XVIIIe, begin XIXe eeuw, de aardappel de voornaamste schotel uitmiek van het grootste deel van de bevolking, en zeker dan van de laagste klassen.

Als antwoord op een vraag van de overheid, gaf de gemeenteraad van Lissewege

te kennen, in 1840, dat na bevoegde lieden te hebben geraadpleegd, een prijs van 15 schellingen de mate of 16,32 fr. de hectoliter, voor de tarwe en 10,88 fr. voor de rogge, voldoende werd geacht. Op de gemeente betaalde men toen 44 centiemen voor een tarwebrood van 2 kgr.

In 1844 berekenden ze de prijs van de tarwe als volgt:

  per hectare per hectoliter à 20 Hl de hect.
pachtsom 80 fr 4,00 fr
belasting 7 0,35
labeur 40 2
(l)halve vette met vervoer, laden, spreiden 150 7,5
zaaigraan 40 2
zaaien 2 0,1
(2)grippen 4 0,2
kappen en kuisen 20 1
pikken en binden 15 0,75
inhalen 15 0,75
Totaal 373 fr 18,65 fr

Een prijs van 19 fr per hectoliter zou de landbouwer zijn bestaan geven. Dit werd gemeld op 6/2/1844. Enkele weken nadien werd vastgesteld dat veel winterzaaiïngen doodgevroren waren door de strenge vorst. Tot overmaat van ramp mislukte de aardappeloogst van 1845 volkomen. En een nieuwe ziekte had zich geopenbaard over gans West-Europa. Omstreeks half juli werd rond Kortrijk en Ieper de vaststelling gedaan dat zwartbruine vlekken zich vertoonden op de bladeren van de aardappelstruiken. In enkele dagen waren de bladeren geheel verrot. De knollen rotten in de grond. Overal steeg de wanhoop ten top. Het was een tot dan toe ongekende ziekte. Het was de plaag(3)

Op 10/8/1845 gaf de gemeenteraad kennis aan de overheid dat alle partijen aardappelen geheel of gedeeltelijk waren aangetast. Vooral de late soorten waren besmet, terwijl deze die als veevoeder werden gekweekt, het minst waren aangedaan. Een groot nadeel zal het zijn voor de werkende klasse, wier voornaamste voedsel het is, zo schreven zij.

De nodige maatregelen werden genomen om het ergste leed te keer te gaan. Op 13 oktober werd besloten de toelage aan het armenbestuur merkelijk te verhogen. Wekelijks, zo nodig dagelijks, zouden aangestelden de rondgang doen naar de arme gezinnen en, waar nodig, bedeling doen. Het aantal ondersteunde personen bedroeg normaal plus minus 185. Verwacht werd dat dit aantal zou stijgen tot rond de 240 (dit op 1527 inwoners). Maar het aantal noodlijdenden bedroeg op 22/12/1845 reeds 361. Wegens de duurte der levensmiddelen ontving de gemeente van het Rijk een toelage van 740 fr. Deze som werd besteed voor de aankoop van roggemeel.

Als gevolg van het tekort aan aardappelen werd wellicht gevreesd dat er geen pootgoed zou ter beschikking zijn. Op 1/4/1846 melde de raad dat het grootste deel van de landbouwers en werkmensen toch nog beschikten over plantgoed uit eigen oogst en de overigen nog zouden kunnen voorzien worden. Zodoende zou de raad geen plantaardappelen aankopen.

In 1846 werden 420 ha. tarwe, 20 ha. rogge, 80 ha. gerst en 20 ha. haver gezaaid. De opbrengst in hectoliter werd geschat op 6300 hl. tarwe, 320 hl. Rogge, 3200 hl. gerst en 1080 hl. haver. Totaal 10.900 hl. Het plaatselijk verbruik, diervoeder en zaaigraan inbegrepen, werd geschat op 5900 hl. nl. 4160 hl. tarwe, 320 hl rogge, 600 hl. gerst en 820 hl. haver. Er waren tevens 70 ha. aardappelen geplant, 40 ha. koolzaad en 30 ha. vlas gezaaid.

Het werd een povere tijd voor de arme luidjes. Dagelijks werd de Gemeente platgelopen door bedelaars, meestal uit Brugge.

Op 1 juli 1847 laat de raad weten dat alleman aan het werk is, doch dat het bureel van weldadigheid toch nog moet steun verlenen, daar velen niet eens van hun loon kunnen hun gezin onderhouden.

Een verslag opgemaakt in augustus, meldt dat "de honing" (4) de paardebonen heeft aangetast, zodat het verlies op 1/3 mag geschat worden. Ook de erwten zijn er van aangedaan, terwijl ze tevens vol zitten van de plantluizen, zodat de opbrengst maar gemene is. De maaigarsen waren middelmatig en de klaver gaf weinig. De andere vruchten waren echter goed en een buitengewone oogst stro werd verwacht.

In 1847 ziet men de eerste poging om op breder plan de aardappelplaag tekeer te gaan. Door de staat was, uit een speciaal fonds, plantgoed aangekocht voor de kleine landgebruikers. Dit pootgoed werd hun echter laat bezorgd, zodat het planten wat aan de late kant was. De circulaire nr 7426 van de Gouverneur op datum van 8/5/1847 vroeg deze landbouwers dat ze hun pootgoed zouden kalken en wel op de volgende manier: in 4 à 5 liter warm water 3 kgr zout en 1/4 kgr blauwe aluin oplossen. Dit mengsel met 25 kgr kalk voegen bij een hoeveelheid van 125 liter koud water. In dit mengsel de plantaardappelen een halfuur laten weken. De opgegeven hoeveelheid was goed voor 2 hl. pootgoed. Wijzelijk werd volgende kommentaar er bij gevoegd:

  • Hoewel de ondervinding nog niet te volle bewezen heeft dat dit voorbehoedmiddel volstrekt goed is, schijnt het toch een tamelijk voldoende uitslag te hebben gegeven.
  • Daar het weinig kost en het voor de landbouw zeer nuttig zou zijn als dit experiment met welslagen zou bekroond worden, wordt met aandrang gevraagd dit middel toe te passen.

Of het te Lissewege toegepast is geworden, valt wel te betwijfelen. Het septemberverslag liet uitschijnen dat de aardappelen uitzonderlijk vroeg werden geplant en daardoor de plaag niet zo erg was als do vorige jaren. Mede ook dat er veel vroege aardappelen werden geplant, vooral de witte of zomeraardappel. Onder de besmette waren de zomerbollen het meest aangetast, de witte daarentegen maar weinig. De opbrengst mocht berekend worden op het dubbele van het jaar ervoor. De winteraardappelen, genaamd de rode en de witte bollezaailingen, zouden maar gering van opbrengst zijn, daar ze in volle groei door de ziekte aangetast werden en, voor zover geoogst, waren er veel bedorven. De variëteit genaamd de rode kransen, waren van goede opbrengst en maar matig aangedaan.

Voor 1848 was de oogst van de aardappelen slecht en de opbrengst maar 1/10 van een gewone oogst.

In 1849 was de oogst weer goed en de aardappelziekte scheen merkelijk verminderd. Het jaar daarop echter had de ziekte in augustus snel uitbreiding genomen.

De opbrengst bedroeg slechts de helft. Men schreef dit toe aan de vele regens. De ondervinding had hun dit al bijgebracht.

Op 27/9/1852 schreef men dit merkwaardig verslag: De "negenwekers" zijn het meest aan de ziekte onderhevig. De "rode kransen" zijn doorgaans veel doorschoten (5). De late aardappelen hebben meer geleden dan de vroege omdat ze bij het opkomen der ziekte nog maar weinig gewassen waren. De schatting was voor de vroege soorten 1/3 van een gewone oogst, voor de late maar 1/5, terwijl juist deze het meest werden aangeplant. De natte kleiachtige zware gronden zijn voor de aardappel weinig geschikt.

Op deze gronden is de ziekte het ergst. Beer, koeiale en raapkoeken zijn schadelijke meststoffen en doen de aanplantingen veel kwaad. Doorgaans zijn die velden het meest aangetast. De ondervinding leert tot nog toe; dat de aardappelen geplant in droogstoppel (6), voor de winter gelabeurd en niet bemest, de beste opbrengst geven.

De hongerjaren 1848/49 hadden inmiddels velen tot armoede gebracht. Jarenlang nog waren de gevolgen merkbaar. Op 13/2/1857 werden er te Lissewege ondersteund: 13 oude en gebrekkige lieden, 21 wezen, 170 armen die bestendig en 212 die tijdelijk hulp nodig hadden van het bureel van weldadigheid.

De verpauperisering had op grote schaal plaats gevonden (7). Een eigenaardigheid is wel dat ondanks alle armoede en ellende, het inwonersaantal van 1845 tot 1848 stijgende is, een paar jaar stabiel blijft, en daarna lichtjes dalend is tot 1854.

De eerste grote aardappelziekte, de krul genaamd, werd in de XVIIIe eeuw ongedaan gemaakt door zaaiïng en invoer van nieuw plantgoed. Het was een gevolg van inteelt en verbastering. De "Plaag" echter schijnt plotseling opgekomen, en daar is maar weinig kruid tegen gewassen. Nu nog in 1963 een slecht aardappeljaar bij uitstek in de polders, hebben drie achtereenvolgende besproeiïngen de ziekte niet kunnen tegenhouden. Waar dit vroeger een ramp betekende voor de bevolking, wordt dit nu door grotere opbrengst en invoer ondervangen.

(R.A.B. Gemeentearch. Lissewege reg. 1 bis, 1 ter, 3, 3 bis, 3 ter)

________________________________________________________________-

Noten:

  1. Halve vette: half verteerde stalmest
  2. Grippen: na het land bemest te hebben, werden de voren nog eens speciaal uitgediept met de spade om een beter afwatering te bekomen. Grippen = greppels.
  3. De Plaag: lat.: phytophtora infestans = afrotten der bladeren en rotten van de knollen (Door vochtigheid en warmte).
  4. De Honing: plantenziekte. De Bo: honingdauw - Frans: miellat, rouille.
  5. Doorschoten: gezegd van aardappelen waarvan de kiemen of scheuten reeds dwars door de knol heen te vinden zijn.
  6. Droogstoppel: land waarop een graangewas geoogst werd.
  7. Dit naast de grootste faktor: de ekonomische krisis die het land doormaakte.

Bibliotheek:

P. Lindemans, De Geschiedenis van de landbouw in België.

B.H. Slicher van Bath, De agrarische Geschiedenis van West-Europa.

0000000000     000000000000     0000000000

De aardappelplaag in Lissewege 1845-1852

Germain Vandepitte

Rond de poldertorens
1964
03
084-087
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15