Op zoek naar de oude stadspalen van Damme

Roger Crois

Er zijn weinig grafische dokumenten tot ons gekomen waarop de oude stadspalen van Damme weergegeven worden. Iedereen weet dat het stadsgebied zich verder uitstrekte dan het omwalde gedeelte. Het gebied waar de schepenen zeggingsschap hadden, dus het eigenlijke grondgebied van de stad, in casu Damme, werd afgebakend door palen die onderling door een denkbeeldige lijn waren verbonden. Het oudste dokument waarop wij die palen aantroffen, is de kaart van het Brugse Vrije door P. Pourbus (1571). Die palen worden aangegeven met de hoofdletter P nabij een rechthoekig blokje.

De kaart van de Wateringen van den Broek en Zuid over de Lieve (1573) door P. Pourbus, waarvan een copie in 1763 door Drubbele, gezworen landmeter "s’Lants vanden Vrijen", werd geschilderd, geeft een duidelijker ligging van enkele stadspalen aan. Ook hier worden zij aangegeven met de letter P.  Deze kaarten geven uiteraard geen volledig beeld van het Damse Stadsgebied.

Een volledige beschrijving van de ligging der palen, geeft ons "De Ommeloper ende nieuwe maete van alle de landen, vele ende diversche personen toehehoorende met de grootte van sommighe dycken ende weghen ligghende binder paele ende schependomme van Damme"  uit 1550. (R. A. B. Aanwinsten 3495)

Van al deze middeleeuwse stenen getuigen is er slechts één die het avontuur van de geschiedenis heeft overleefd. We vinden hem terug langs de Dijk van Romboutswerve, op de huidige grens Damme-Oostkerke. Het is een ronde verweerde paal uit witsteen, schuin naar het N.O. gekeerd. De paal steekt 110 cm boven de grond, meet van omtrek 80 cm en heeft een diameter van 25,5 cm. Op 8 cm van het bovenvlak wijst het in het steen gekapt Dams wapen (18 x 19,9) het grondgebied van Damme aan. De tegenovergestelde welving van de paal draagt het wapen van het Brugse Vrije: van zilver, met een prismatische dwarsbalk van azuur. Voor Damme is het: van keel, gedwarsbalkt van zilver met een lopende hazewind van sabel en met een halsband van goud. De kleuren zijn echter verdwenen of werden wellicht nooit aangebracht. De hazewind in het wapen van Damme is uitgewist.

2016 03 22 105809De nog overeind staande Paal van Damme’s stadsgebied. Met zichtbaar op de foto het wapen van Damme (foto Crois)

2016 03 22 105841Damme : Omwalde gedeelte en paalland - Volgens Pourbus omstreeks 1570 (Copyright A.C.L.)

Als hond in wapens komt de springende gehalsbande hazewind meestal voor. Deze halsband is dikwijls omboord en geringd van een andere kleur. Bij een jonge hazewind ontbreekt de halsband. (Rietstap’s Handboek der Wapenkunde, Pama, Leiden 1961).  Hoe komt die hazewind in het Damse wapen verzeild? Van waar komen de kleuren?  

"Honde” of  “Honte”  is de oude vlaamse naam voor een zeearm. Nu nog wordt de Westerschelde de Honte genaamd. Hondesdamme was dus een dijk opgeworpen aan de Honte of de zeearm van het Zwin. Aan deze dijk opgeworpen tussen 1168 en 1170 ontstond er een agglomeratie. Na enkele jaren was het plaatsje genoeg bevolkt om over een eigen schepenbank te beschikken. In 1180 kreeg het dan ook een vrijheidskeure. Later, nadat de Duitse Hanze zich in 1251 was komen vestigen langs het Zwin, kregen al de Zwinsteden en ook Brugge, een eigen wapen, dat de grondkleuren aannam van de Duitse Hanze, nl. rood en wit." -  (J. De Smet, Het oude Damme, Brugsch Handelsblad 20/4/1963)

De waternaam  “Hond” uit de “ Hondesdamme”  is gemetamorfozeerd  tot dierennaam :  hond, in ons geval een hazewind.

De paal waarover we het zo juist hadden (op ons plan gemerkt Pl4) komt in de ommeloper als laatste in de rij. Wij laten hem even terzijde en beginnen onze wandeling bij de eerste palen uit de Ommeloper.

Wij bevinden ons nu op de rechter oever van de Damse Vaart, op de huidige grens Damme-Oostkerke. Noch van de Varsche Vaert, noch van het Zwin, noch van de stadspoorten op de kaart van Pourbus, is er hier nog iets te verkennen. Enkel de luchtfoto van Damme laat ons een beeld van de loop van de hogervermelde waters zien. Het is in deze streek dat we de eerste palen moeten situeren. De Ommeloper van 1550 getuigt: "Beghinnende oost van de Nieuwe sluusche poorte, metter noortoosthende ant ghescheet van de  vier paelen  aldaer staende..."  Pourbus tekent een paal op de linker oever van de Varsche Vaert en een tussen de Varsche Vaert en het Zwin. We kunnen ongeveer met zekerheid deze palen situeren op de huidige grens Damme-Oostkerke, tussen de Damse Vaart en het Zuidervaartje. We nummeren deze palen:  P. 1.  

We vervolgen onze weg tot waar deze een scherpe hoek vormt. Dit stukje weg volgt ongeveer hetzelfde tracé als op de kaart Pourbus. Hier werden twee palen ter weerszijden van de dijk van Caerperzade geplant. We nummeren deze palen op onze kaart:  P 2.  Caerperzade is vermoedelijk de naam van een verdwenen hofstede, later een herberg. Zie de kaart Pourbus: hij tekent hier een stenen inrijpoort. In een rekening van de stad Brugge lezen we: "een polderkin ligghende ande noordzide van Caerperzade gheheeten den polder Rynscher".  (S.A. Brugge, Rekening Brugge 1452/53 f° 262 - ons vriendelijk medegedeeld door de heer Coornaert Maurits). "De weerd en de weerdin ten Carpersate" worden in de ledenlijst van de Gilde van O.L.Vrouw van Hulsterlo in 1426 vermeld (S.A.Brugge).

We wandelen verder tot waar onze binnenweg de Lapscheurse baan kruist en we volgen deze baan, de "Oude Sluische dyck" een 500 meter verderop. De Oude Sluise Dijk (1620) begon aan de barm van de Lieve, liep langs de kapel van Hulsterlo, voorbij Platheule,  tot aan de Zeedijk van het Lapscheurse Gat en vervoegde Sluis onder de naam Oude Brugsche Heerewegh. Rechts op de Lapscheurse baan, even voor de Stampershoek-beek, stond vroeger de kapel van Hulsterlo. K. De Flou zegt hierover: "Kapel en bedevaartpiaats te Ste. Catherine buiten Damme, T’onser vrauwen t’Ulsterloe 1338".  Er bestond in deze kapel een belangrijke gilde, genoemd "Gilde O.L.Vr van der Loo buten Damme, gezegd Hulsterloo 2.7.1414" (S.A.Brugge; fonds Hulsterloo).  In de ledenlijst van de gilde vinden we de burgemeester, een keersverkoper, een viskopersknape, een tentenmaker, enz. Er waren ook leden "wonende in diverssche steden": Heynric Scyve, marchand de Bordeaux; Senturion Andries, Genuees; Foncica Steven, marchand d’Orléans; Olivier de Scrivere van Lisabon.  Vóór de kapel stond de 3e paal (P 3). De ommeloper getuigt: "De capelle van Hulsterloo ten zuutoosthoucke daer by over den wech, streckende van de  derde paele aldaer staende ….. “ .

We keren terug op onze stappen tot aan de vroegere bedding van de Lieve. Een 500 meter in de richting Moerkerke stond de 4e paal, waarvan sprake in de ommeloper: "Mr Franchois Vander Straete ten oosthende daeran een geerkin daer ten zuutoosthoucke den vierden pael steen op staet ..." De bedding van de "Gentsche Lieve of Ghentsche Leye" is op de luchtfoto goed waar te nemen. De Gentenaars aangetrokken door de welvaart van de Zwinsteden haastten zich om in die rijkdom te delen en vroegen en bekwamen van Gravin Margareta van Konstantinopel de toelating om Gent met het Zwin buiten Damme te verbinden(1251). Bedding en trekwegen bleven eigendom van de stad Gent, In 1456 diende Middelburg-Vlaandern aan Gent de toelating te vragen tot het graven van het Middelburgse vaardeken tot aan de Lieve, bij Leestjes.

De plaats van de vierde paal bekend, keren we terug naar de Lapscheurse baan en zakken af naar de Vijvekapelle steenweg. We bekijken onze situatiekaart en vinden een paar honderd meter links, voor we de steenweg bereiken, een stuk oude dijk die gedeeltelijk rond de in 1578 afgebroken Ste-Katelijnekerk zwenkte. Nu nog heet het vierkante stuk grond waar de kerk stond, in de volksmond, "Kerkhof". We vervolgen de Vijvekapelle steenweg tot aan de splitsing met de pijpeweg: een hoek met interessante toponiemen.

Links de Branddijk, voor het eerst vermeld in 1217. De Flou zegt hierover: "... den branddyck metten peerdenkerckhof", en verder: "Branddijken liggen doorgaans in de richting van de oever van de zee".  Het Peerdenkerkhof was een weide op de hoek van de Branddijk en de Male Leie. Van de Branddijk is er in de ommeloper sprake, waarbij een paal wordt vermeld: "Die van St. Janshuus in Damme ande oostzyde daeran een wegelkin met een driehoucxkin ... in gescheet streckende metten noorthende breet ander brantdyck, ende op den zuutwesthouck van desen staet een paelsteen . . ." Deze paalsteen (P 5) stond lang’s een weg palende aan een stuk land van het St-Janshospitaal van Damme. - J. Opdedrick vertelt daarover in zijn werk: "St-Janshospitaal te Damme":  “... het eigendomsrecht over een half gemet en 34 roeden lands, liggende binder Ambochte van Oostkercke ende prochie van Sinte Kathelijne buuten Damme, ande noordzyde ‘t polderdycxkin van Bonem poldre, ende den houver vander Maalsche Leye ande westzyde ende es een driehoucxkin" (1540).

De Maele Leye wordt het eerst vermeld in 1373 en wordt ook genoemd "Nieuw bedelf"  (R.A.Brugge: Fonds Mestdagh 2186: caerte figurative van de Maele Leye van oudts genaemt het Nieuw bedelf)

Langs de Pijpeweg stond er een zesde paalsteen. De ommeloper:  "De wateringhe van Maerten de Lange ten zuuthende daeran mette zuutzide veurgemeens ant gescheet vander paele jegens huer selfs lant, streckende cum oosthende anden Pypewech, ende op den zuutwesthouck van desen sticke staet den paelsteen ...". -  Op onze kaart P 6.-  Langs de Pypeweg bereikte men Damme door de Malepoort die in 1391 werd afgebroken. Van uit de Pijpeweg zouden we de Polderstraat kunnen bereiken, doch de bilken zijn er nogal zompig en er lopen stieren rond ... . Dan maar terug en we vervoegen links een kronkelende aardeweg: de Polderstraat, vroeger Nederen Brugghe wegh (1357) ook Nederen Aerdenburgschen weg  (De Flou). Men geraakte uit Damme naar de Bruggeweg onder de Grote Brugse Poort door. Een opvallend brede landweg komt een heel eind verder vanuit de richting van de Pijpeweg de Polderstraat vervoegen:  het in 1331 vermeld "Sieckelieden dreveken". Op de zuidelijke hoek van de Ziekeliedendreef en de Polderstraat planten we onze 7e paalsteen terug op zijn plaats (p 7). In de ommeloper vinden we hierover: "... metten noorthende breet jegens den nederen heerwech van Brugge, daer een paelsteen staat…” Onze gedachten gaan naar de leprozen die hier hun schamel leven sleten.

2016 03 22 105902De  Palen  van  Damme,  overgebracht  op de  militaire  kaart  door R. Crois

  1. Viaene in zijn werk "Leprozen en Leprozerijen in het oude graafschap Vlaanderen" (uitgave Gidsenbond Brugge 1962) vermeldt hier het bestaan van de Madelene in 1331, gelegen buiten Damme, langs de Bruggestraat, richting Gapaert, tegenaan de Ziekeliedendreef. Bij De Flou vinden we: "De ackerziecken vanden damme in den houck vanden lantwech ende vanden heerwech daer de lazerie up staet" 1497.

Paal 7 is heropgericht en we zoeken de plaats waar paal 8 stond. Volgens de ommeloper van 1550: "De stede van Brugge ten noorthende daeran den Reydyck, streckende van Sinte Cristoffelpoorte westwaert tot ant gescheet daer  den paelsteen  up staet". Paal 8 planten we rechtover paal 7 op de dijk van het Zuidervaartje. Wie gaat er mee een pintje pakken in de Gapaard?  't Is verdiend na al dat planten van grenspalen; maar we zijn nog niet t’enden. We laten De Flou eventjes aan het woord over de herberg de Gapaard: "Gapaard, nu Hapertje ... op den suyt reye dyck, west byden gapaerde, daer den derden pit ende  paelsteen  gesteld is in 1556". Van Gapaard zegt De Flou verder dat de overlevering wil dat eertijds zekere misdadigers tegen de stadspoort, de Gapaard  te Duinkerke, aan de kaak gesteld werden. Gapaard zou de te pronk gestelde lieden bedoelen.

Dat Gapaard nu ‘t Hapertje is, is zeker niet juist. Ook Viaene laat zich hier vangen door De Flou, als hij beweert over de Madelene: "richting Gapaert (nu ‘t Apertje)". Het Hapertje, de nu nog bestaande café, ligt aan de brug over het Zuidervaartje, veel verder naar Brugge toe. Zie trouwens de kaart van Pourbus: de Gapaerd staat vermeld rechtover de St-Adriaenskapel, en dat is nog een heel eind van Half Weghe of ‘t Hapertje.

De St-Adriaanskapel wordt door De Flou vermeld in 1474: "... streckende metten noordhende an een landweghelkin dat voorbij ‘t Sinte Adriaens-capelle waert loopt...". Sint Adriaan was een der bijzonderste pestpatronen en deze belangrijke kapel was begiftigd met eigendommen en renten.

Nu moeten we naar de overkant van de Damse Vaart. Best dat de cafébaas van 't Halfweeghuis ons met zijn manke veerbootje kan overzetten. We lopen terug in de richting van Damme. Links op de hoek van de “oude weg naar de Gapaard" letten we op een vierkante weide met grachten omringd: een oud fort.

We schieten ons de Zeugedijk op en gaan de 9e paal planten op de oever van de Zeuge. Er valt hier heel wat te vertellen. Uit de ommeloper putten we: "Het 8e Begin begint noort daar jegens overe, ande noortzyde vande Suege ofte Muelenwatere, mette noortzyde anden nederen lantwech die naer Michem loopt … de stede van Brugghe: den dyck van de Suege, streckende van de Coolkercksche poort (van Damme), westwaert totten gescheede vander paele  (d.i. de grens van het Damse stadsgebied),  daer  een paelsteen  staet". Tussen 1350 en 1360 liet Brugge een waterloop graven ten westen van Damme. Dit water omsloot de oude Marasche, nu Noordpolder geheten (G. Timmerman, Rond de Poldertorens  Ie. Jg. Nr. 2 pag. 22).

De volgende paal vinden we op de kaart van Pourbus getekend langs het Doestwegelken, dat van Koolkerke komt. Voor we de winmolen bereiken, nemen we de slag links en draaien links mee, een veldwegel in. 't Is alles wat nog overblijft van het Doestwegelken, ook vernoemd als de "Nederen lantwech naer Mikhem". Misschien bij De Flou: "... metten zuudthende anden nederen landtwech by de Zeughe 1554". In de ommeloper vinden we dat het 9e Begin "begint noort daer jegens over, ande noortzide vanden voorscreven dyck (Zeugedijk) ende nederen lantwech. . ." En "... streckende cum zuuthende anden nederen lantwech, ende op den zuutwesthouck van desen stick staet den paelsteen ..." P 10 stond dus langs het Doest-wegelken, ongeveer waar de grens Damme-Oostkerke de "lantwech" snijdt.

Op de kaart van Pourbus bedekt het wapen van Damme de plaatsen waar de palen 11 en 12 gestaan hebben. We hebben getracht aan de hand van de ommeloper van 1550 deze palen te herplanten. Paal 11 stond op de Z.W.-hoek van een stuk land dat met het N.O.-einde aan de watergang paalde: "... een driehoucxkin cum noortzide ant gescheet veurmeens jegens syn selfs lant, streckende cum nootoosthende anden waterganck, ende den paelsteen staet ten zuutwesthoecke op dit stick”. Dit is de enige paal (P.11) waarvan we niet volstrekt zeker zijn waar hij stond.

Over de plaats van paal 12 zijn we beter ingelicht. Inderdaad, de ommeloper situeert deze paal: “Die van St. Janshuus in Brugghe ande zuutwestzide daeran over de adere een raffoel sticxkin, cum zuutwestzide anden waterganck, noortoost jegens over den paelsteen te Mesdambrugge ..." Mesdambrugge heeft Rene De Keyser aangegeven op een schetsje van Mikhem in "Rond de Poldertorens" VIe jg. Nr. 1 , blz. 14.

Volgden de laatste palen hier tamelijk dicht op elkaar, van 12 naar 13 is het een hele afstand. Zouden wij er hier één tekort hebben?  Over onze paal P. 13 vinden we in de ommeloper:  “13e Begin. Dit begint oost hier jegens over, ande oostzide vanden adere, cum oostzide ende noorthende ant gescheet van de paele, streckende zuutoostwaert tot in de Schuere ende anden dyck die van Damme naer Oostkercke loopt ...  Die van de Jacopynessen oost byde voorscr[even] hofstede daer Jan Breydel woont cum noortwestzide ant gescheet vander paele vuermeens jegens huerlieder selfs lant, streckende cum zuutwesthoucke ande adere et cum noortoosthoucke inden helven lantwech, ende den paelsteen staat ten noortoosthoucke."

Van paal 13 naar de nog bestaande grenspaal 14, is het weer een rechtlijnig stuk grens. Volgens onze zegsman, die in ‘t huisje woont op t einde van de slag die van de Pompestraat komt, liep hier vroeger een kerkweg door tot aan de Romboutswervedijk (R. De Keyser tekent hem als Dammewegeltje op de kaart van Oostkerke, Rond de Poldertorens VIe jg.  Nr. 1). De ommeloper beaamt de naam van Kerkeweg: "De kercke van Damme met meer andere het noort vandaer cum noortoostzide ant gescheet vander paele vuermeens jegens syn selfs lant, cum zuutwestzide inden halven lantwech, cum noortwesthoucke anden paelsteen".

Aan paal 14 loopt onze wandeling dan ook ten einde. Wij wensen onszelf maar één genoegen: ‘t is dat de nu nog overeind staande "Paele" er moge blijven staan en dat er voor gezord worde!

___________0000000000000_____________

Geraadpleegde werken:

  • Woordenboek van Toponimie, K De Flou
  • Ommeloper van Damme 1550 (R.A.Brugge, Aanwinsten 3495) door Dr. Jos De Smet voor ons gelezen. Waarvoor onze welgemeende dank.
  • Damme,  uitgave V. T. B. ,  Antwerpen 1956
  • Leprozen en Leprozerijen in het oude Graafschap Vlaanderen, A. Viaene, Gidsenbond Brugge 1962.
  • St-Janshospitaal te Damme, volgens J. Opdedrinck, verzorgd door R. Vandenberghe.
  • Jaargangen van "Rond de Poldertorens".
  • Geschiedenis van Middelburg in Vlaanderen, K. Verschelde, Brugge 1867.

Opmerking:

Bij de bovenstaande wandeling valt het op dat alle palen geplaats werden op de toeganswegen naar het stadsgebied van Damme, zowel waterwegen als landwegen. Er staan palen op de oever aan de Zoete Vaart, van de Zoute Vaart, van de Gentse Lieve, op de Reiedijk, op de Zeuge, en op al de landwegen, zelfs de kleine. Alleen voor paal 11 weten we geen weg liggen. Anderzijds  is het eigenaardig dat we geen paal vinden op de "grote" weg, die naar het noorden loopt. Pourbus tekent niets, de ommeloper helpt niet.

Kan iemand ons terechtwijzen? Elke aanvulling is zeer welkom.  -    J. Rau.

Op zoek naar de oude stadspalen van Damme

Roger Crois

Rond de poldertorens
1969
01
020-026
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15